Winnaar ‘Talent’

Een man slaat niet met de vlakke hand

In december deelde Jils Buizer een klap uit aan een vervelende leerling. Gisteren stond de biologieleraar voor de rechter. Hoe een schoolreisje naar een Duitse kerstmarkt uit de hand liep.

Door

Freek Schravesande namens NRC Next

‘We waren al bij Driebergen, bijna thuis. Hij zat links in de bus, ik stond nog half gebukt in het gangpad. Op dat moment haalde ik uit met rechts. Met gebalde vuist. Ik gaf een stomp, geen klap. Een man slaat niet met vlakke hand.” Drie dagen later stond in de krant: ‘64-jarige leraar slaat 15-jarige leerling op schoolreisje tand uit de mond’.

„Je overweegt dat niet. Op zo’n moment kijk je naar jezelf. Je kijkt naar hoe je doet, wat je denkt. Je neemt jezelf waar. Wat ik waarnam was een kwaadaardige man die een stomp gaf. Getergd.”

De voortuin van Jils Buizer (64) is die van een bioloog. Verwilderd, overgeleverd aan de natuur. Er staan boterbloemen, robertskruid, prikneus en, tegen zijn zin, een conifeer. De conifeer heeft iets doods, iets onvruchtbaars. Een bioloog heeft sympathie voor alles wat leeft; de pissebed, de zilvervis.

Buizer is een man met grijs haar en volle, donkere wenkbrauwen. Hij woont samen met zijn vrouw (36) en twee kinderen (10 en 8), zijn derde leg. Op een kilometer afstand staat het Herman Jordan Lyceum, een „vrij intellectuele” Montessorischool voor havo en vwo. Daar doceerde hij 36 jaar lang biologie. Met groeiende vreugde.

Dit jaar zou Buizer met pensioen gaan. Hij haalde de eindstreep net niet. Eerst werd hij geschorst en toen ontslagen. Aanleiding was het incident op 7 december 2011. Op de terugreis van een uitje naar de kerstmarkt in Essen sloeg Buizer een derdeklasser vol in het gezicht. De jongen had geweigerd een pak mergpijpjes van de grond te rapen. Het Openbaar Ministerie stelde een schikking voor: 80 uur taakstraf en 1.098 euro schadevergoeding wegens poging tot zware mishandeling. Buizer ging niet akkoord. Gisteren diende de zaak voor de rechter.

Een bioloog determineert. Hij bepaalt, stelt de soort vast aan de hand van bepaalde kenmerken. Maar hoe benoem je iets wat onverklaarbaar lijkt? Het subject is een incident dat het particuliere misschien niet overstijgt. Het is belangrijk, weet de bioloog, om niet te focussen op één kenmerk alleen, maar de hele soort in beschouwing te nemen.

Het is maart. De kerstverlichting hangt in huize Buizer nog in de kamerplant. De moeite van een kerstboom heeft Jils Buizer zich deze keer bespaard. Het incident heeft er flink ingehakt. Zijn dochter (10) is bang dat haar vader niet meer de Leukste Leraar van Nederland wordt gevonden. Zijn moeder (87) roept, boos op de school: „Je hebt toch altijd goed je best gedaan? Zal ik ze een brief sturen?”

Van alle bijtwonden door zoogdieren is de mensenbeet het gevaarlijkst. Het menselijk speeksel bevat menselijke bacteriën, die zijn iets te goed bestand tegen de menselijke afweer. Het vergroot het risico op infectie. Dat gebeurde bij Buizer. ’s Nachts voelde hij zijn hand opzwellen en begon hij flink pijn te doen. En voor het kerstdiner, konijn in bier gestoofd, had hij de ui nog niet zo fijn kunnen snijden als anders.

Hij ervoer het als uiterst gênant. Als je rondloopt met zo’n dikke hand denken mensen dat je verschrikkelijk hard geslagen hebt. De vuistslag, zegt Buizer, was wel hard, maar niet extreem hard. Om de vergelijking met handbal te maken: hij gebruikte niet de kracht die je nodig hebt om te scoren, maar de kracht om een ploeggenoot op afstand aan te spelen.

In alles lijkt Buizer op de typische leraar. Bevlogen verteller, onvoorwaardelijk stemmer op de PvdA. Hij was, denkt hij, de leraar die Plasterk bedoelde toen die als minister van Onderwijs het profiel van de ideale docent uittekende. De leraar die zijn vak goed heeft bijgehouden, meer weet dan in het schoolboek staat. En, in het geval van Buizer, het schoolboek soms corrigeert. Onder leerlingen gold Buizer als een wat vreemde, eigenwijze, maar populaire leraar. Een leraar die je weleens matst, waar je veel van mag. Te veel misschien wel. Het was een reputatie waar hij niet zo van hield. Populair wilde hij zijn om zijn lessen, niet om zijn gebrekkige talent voor autoriteit.

Leerlingen, vindt hij, zijn niet vervelender dan vroeger, maar het lijkt alsof er meer grote ego’s in de klas zitten. Kinderen die van hun ouders wel erg vaak hebben gehoord dat ze speciaal zijn. Een verhaal moet tegenwoordig wel heel erg leuk zijn voor ze om het vol te houden. Buizer merkt het zelfs bij de seksles voor de tweedeklassers: ze raken sneller verveeld, proberen te scoren over de rug van de leraar.

Seksles is een vreemd soort les. Ze hebben allemaal weleens porno gekeken, dus sommigen hebben een wat verwrongen beeld van de daad. Maar je wilt als leraar ook niet zeggen dat seks altijd alleen maar mooi is, ‘je moet er wel wat van maken’. Buizer gebruikt dus gewoon de termen ‘kutten’ en ‘neuken’, maar hij wil ook geen lacherige sfeer in de zin van: ‘Heb jij het ook weleens anaal gedaan?’ Dan durven de verlegen leerlingen alleen nog voor zich uit te kijken, bang dat anderen zien hoe ze reageren. Juist bij de seksles wil Buizer dat ze luisteren.

Het moment na de klap had de jongen hem verbijsterd aangekeken. Leraren slaan niet. Hij had zijn hand naar zijn bebloede mond gebracht, was opgestaan en naar voren gelopen.

Intussen was het muisstil in de bus. En net zo verbijsterd stond daar Buizer, op het middenpad. Strak van de adrenaline. Hij wist: hier is iets onherstelbaars gebeurd. Hardop zei hij, waarschijnlijk om zichzelf te troosten: „Ik ga toch bijna met pensioen”.

Stil bleef het, tot ze arriveerden, vijf minuten later. De bus parkeerde, Buizer ging er onder begeleiding als eerste uit. „Jullie zullen wel een andere biologieleraar krijgen”, had hij gezegd.

Misschien, denkt hij, was de school ook wel blij dat ze van hem af waren. Er was nog niet zo lang geleden een nieuwe schoolleiding geïnstalleerd. En voor een nieuwe directie zijn oudere leraren, mensen met een eigen status, niet de gemakkelijksten om te managen.

Buizer moest er ineens tijdens keuzeuren op toezien dat er werd gewerkt. Hij weigerde. Buizer had al jaren zijn eigen domein. Een reservaat voor leerlingen die niet wilden werken. Leerlingen die geen zin hadden, gingen naar Jils zodat het in de overige klassen juist rustiger was. De chaos die dat in zijn eigen klas creëerde, kon Buizer prima hebben. „Maar kijk niet in mijn gang”, had hij tegen de vorige rector gezegd. „Dat moet je niet willen zien.”

De reputatie van iemand die doordraait, had Buizer niet. Wel was er, in 2004, van een incident sprake geweest. Een brugklasser had geprobeerd vier pissebedden te verzuipen in een grote petrischaal. Buizer was op de jongen afgelopen en had hem met een duw naar achteren gewerkt. „Verdomme, zit geen dieren te kwellen!” schreeuwde hij luid. Misschien had de schoolleiding door dat incident gedacht dat hij een agressieprobleem had. Maar mensen moeten gewoon geen dieren kwellen waar hij bij is. Daarvoor is hij bioloog.

Je kunt het slecht aan hem zien als hij ergens mee zit, was hem na de klap verweten. Andere leraren veinzen desnoods kwaadheid, waarom hij niet? Maar Buizer wilde niet rood aanlopen om vervolgens in het middenpad van de bus te stampen. Iedereen weet: een leraar die rood aanloopt, is niet gevaarlijk meer. Dan is het moment van actie al voorbij en herstelt het lichaam zich. De temperatuur daalt, de extra warmte eruit. Rood worden in een bus vol met leerlingen is extreem vernederend voor een leraar.

Liever is Buizer in zulke situaties de man van de humor. Voelt hij kwaadheid opbroeien, dan probeert hij die om te zetten in een gewiekste grap. Tot aan het cynische toe. Zo hoorde hij eens een jongen uit de vierde tegen een niet zo vlot meisje zeggen dat ze lelijk was. ‘Gezien je uiterlijk moet jij het ook hebben van je aardigheid’, had Buizer gereageerd. ‘Dus ik zou me maar anders gedragen.’ Achteraf vond hij dat hij iets te ver was gegaan.

De laatste jaren kwamen zulke situaties juist nauwelijks voor. Meer dan ooit had Buizer het gevoel een thuiswedstrijd te spelen. Dat had te maken met zijn leeftijd. Was hij als leraar van dertig nog een soort grote broer, als veertiger, de leeftijd van hun vader, was het in de klas veel minder gezellig. Maar de laatste jaren genoot Buizer een vanzelfsprekend soort respect. Hij was niet bedreigend meer, hij kon hun opa zijn. Bij de sekslessen kon hij zeggen wat hij wilde. Zo oud en dan toch nog grappig! Buizer genoot ervan.

Ouderdom maakt ook kwetsbaar. Je wilt met respect worden behandeld en je bent aan je status gewend geraakt. Maar wat nu als sommige leerlingen dat spel niet wensen mee te spelen? Wie denken die leerlingen wel dat ze zijn?

Aanvankelijk zou Buizer helemaal niet meegaan op excursie. Maar toen er voor het reisje een lerarentekort dreigde, stemde hij in. Die woensdag, om tien uur ’s ochtends, vertrokken drie bussen vanaf het Herman Jordan Lyceum in Zeist richting Essen, twee uur rijden. Vijf derde klassen, 150 leerlingen, in elke bus drie docenten.

Buizer nam achterin plaats, op de allerlaatste bank. Hij wist hoe vervelend buschauffeurs het vinden als alle leraren voorin zitten. Achterin zitten de etters. Daar belanden de pakjes Fristi op de grond. En als een buschauffeur ergens een hekel aan heeft, zijn het melkzuurproducten in de bekleding van zijn bus.

Al snel begon het geklier. Vier jongens, twee en drie rijen voor hem, zaten voortdurend achterstevoren in hun stoel. Hij riep ze herhaaldelijk tot de orde, toch bleven ze elkaar klappen geven. Ze zongen ‘Alle Duitsers zijn homo’s’. De hele bus zong mee.

Dat Buizer het viertal niet kende, maakt verschil, denkt hij. Leerlingen die les van je hebben, houden op tijd op met klieren. Ze beseffen dat ze de rest van het jaar verder met je moeten. Op de terugweg ging het geklier van het viertal door. Klappen uitdelen, benen uitsteken als een ander langsloopt. Toen een van de jongens een halfvolle colafles door de bus gooide, pakte Buizer de fles af.

Het liep al tegen negenen en het was donker in de bus toen Buizer de mergpijpjes op de vloerbedekking zag liggen. Een open pak met enkele stuks verspreid in het gangpad twee rijen voor hem. Buizer was opgestaan, was naar het gebak gelopen en had het spul in het dichtstbijzijnde kotszakje gedaan. Half gebogen wendde hij zich tot de jongen links naast hem en zei: ‘Hoe kom je nou zo stom om kleverig gebak mee te nemen?’

‘Hadden we gewoon zin in.’

‘Heb je nog meer verrassingen in petto?’

‘Ja, een fles icetea en een halve fles cola. Oh nee, die fles cola heb je afgepakt. Kun je die gelijk teruggeven?’

Het slachtoffer heeft hij nooit meer gesproken. Natuurlijk had Buizer spijt van zijn daad. Maar inmiddels kan hij er ook wel om lachen. ‘Jils gesignaleerd op de ijsbaan. Pas op je tanden!’ leest hij dan op Twitter.

 

Stampij zonder onderbroek

Weer of geen weer, dagelijks staan bij Hoek van Holland blote mannen in de duinen. Jaren ging dat goed, totdat het Zuid-Hollands Landschap het duin afsloot wegens ‘overbetreding ’. Nu staan ze overal.

Door

Freek Schravesande namens NRC Next

‘Daar gaan we graven!” Een jongen met oranje schep wijst naar de hoogste duintop en beklimt het mulle zand, een jongen met blauwe schep volgt hem op de voet. Bovenop wijst hij naar een duinpannetje. „Kom Quinten, daar gaan we een hut bouwen!”

Terwijl het tweetal druk aan het graven is, trekt een oude man enkele duintoppen verderop zijn onderbroek uit. Witte billen en een gebronsd lijf. Daar staat hij, geolied op het voorste duin. Zijn buik(je) naar voren, de armen in de zij. Uitkijkend over het strand en de strandhuisjes en de zee bij Hoek van Holland. Een briesje waait door zijn grijze manen.

Al zeker twintig jaar noemt de buurt ze ‘stokstaartjes’, de mannen die in ‘de Hoek’ de duintoppen bevolken. Midweeks veel pensionado’s, in het weekend ook adolescenten.

De parallellen met hun Afrikaanse soortgenoot zijn talrijk. De mannen staan in die typische stokstaarthouding, sommigen lopen wat rond. Soms verdwijnt er eentje achter het duin, om elders weer te verschijnen. Bij mooi weer zijn het er soms wel dertig. Maar ook op een dag als vandaag, in weer en wind, zijn er altijd wel een paar te vinden.

Verhalen over wat ze in duingebied de ‘Van Dixhoorndriehoek’ allemaal uitspoken zijn er altijd geweest. De Hoekenezen vonden het lang best. De stokstaartjes, zegt fotograaf Peter de Krom (31), een local, hoorden er gewoon bij. De Krom maakte zo’n tien jaar geleden kennis met het fenomeen, toen hij met zijn vriendin het lokale naaktstrand bezocht. Gniffelend bekeek hij het schouwspel in de verte, net als iedereen. Niks bijzonders, iederéén was er naakt.

De afgelopen zomer trokken de stokstaartjes opnieuw zijn aandacht. De Krom was getuige van een merkwaardige migratie van de soort richting het zuiden, een duin verderop, te midden van spelende kinderen en mensen in textiel. Vanaf de Zeetoren – gebouwd als Duitse radartoren in oorlogstijd – zag hij hoe het volkje met uitsterven werd bedreigd, keer op keer werd aangevallen, maar wist te overleven. Deze maand besloot hij er al fotograferend een studieproject van te maken.

Het eerste onraad roken de stokstaartjes in Hoek van Holland begin 2010, toen ‘Herstelplan Van Dixhoorndriehoek’ in werking trad. Het jonge stuifduin waarop ze stonden was Natura 2000-gebied, beschermd. Maar stekelig duindoorn met zijn zure, oranje bessen had het duin overwoekerd ten koste van bijzondere soorten. De oorzaak werd gezocht in ‘overbetreding’ en de neerslag van stikstof afkomstig van kassen en auto’s en, meest direct, stikstofdepositie van de stokstaart zelf.

Begin dit jaar nam het Zuid-Hollands Landschap de regie over van de gemeente. De fanatieke natuurbeheerder had een unieke duinvallei voor ogen waarin zeldzame soorten als de rugstreeppad konden terugkeren. De vleeskleurige orchis, Kleverige reigersbek, Groot duinsterretje, zeewolfsmelk en, kroon op het werk, de groenknolorchis in 2020 –een niet echt mooi plantje dat volgens de EU-richtlijn nu eenmaal is beschermd.

Toen in mei een nieuw fietspad vlak langs het duin opende, werd de vrees voor overbetreding zo groot dat de provincie een radicaal besluit nam. Vanaf nu omsloot een hekwerk tot borsthoogte het duin. Er kwam een bordje ‘Verboden toegang, artikel 461’. De wilde mens had het afgelegd tegen de Wilde liguster.

Tot drie keer toe werd het hek door onbekenden opengeknipt bij de olifantenpaadjes. Als vanouds stonden verse schoenafdrukken haaks op de vossensporen in het zand.Tot drie keer toe werd het hekwerk hersteld. Een kudde Drentse heideschapen onder aanvoering van het recalcitrante schaap ‘Wollepop ’ zorgde vanaf nu voor begrazing. Bijkomend voordeel was ‘afschrikking’. Een dergelijke kudde had ook op de naaktstrook in Zeewolde tot prima resultaten geleid.

De stokstaartjes konden niet anders dan zich verplaatsen. Hadden ze op hun oude stek slechts te duchten van het toiletgebouwtje van Aad en Lies (‘Voor al uw poep en pies’), hun nieuwe habitat was midden in de bewoonde wereld. Een duin pal voor een druk textielstrand waar de tijd niet had stilgestaan. Eettent Jan Patat had zijn naam veranderd in ‘Janszen aan Zee’ (of ‘Jansen aan Zee’, zoals op de zijkant staat). Aangrenzend was een rij strandhuisjes verrezen, ’s zomers bewoond door mensen uit de stad. Die hadden geen 60.000 euro betaald plus jaarlijks 4.000 voor pacht en opslag om tegen de blote konten van een groep mannen aan te kijken.

Er kwamen klachten. Bewoonster Marijke van Swet: „Laatst bij de buurtbarbecue met alle huisjes stond er zo’n man uitdagend op het duin, vijftig meter verderop. Die kon geen seconde van z’n piemel afblijven. We hebben met z’n allen staan applaudisseren, maar hij bleef gewoon staan.”

Ouders met kinderen maakten stampij, badgasten maakten melding van expliciete seksscènes en wandelaars zouden zijn lastiggevallen. De veiligheid, concludeerden de autoriteiten, was in het geding. Nadat ook de plaatselijke pers er lucht van had gekregen, besloten strandwacht en politie te ‘handhaven ’.

En zo kan het dat vandaag, niet voor de eerste keer, twee jonge agentes te paard een rondje zullen doen. Soms zou de politie haar surveillance vanuit de Zeetoren beginnen, vanwaar ze met een verrekijker de stokstaartjes observeert. Naaktrecreatie is er illegaal en reden voor een bon. Maar de stokstaart bloot betrappen, is zo makkelijk nog niet. Meermalen per dag rijden agenten te paard of per terreinwagen door het duin. Het meeste succes, zegt een van de agentes, hebben haar collega’s in burger (sportbroekje, wit T-shirt). „Die schrijven zich helemaal blauw.”

Terwijl de bereden dienders vanaf het strand zijdelings het duin naderen, heeft een man op de dichtstbijzijnde duintop zijn telefoon al in de hand. Ook verderop grijpen mannen naar hun toestel. „Ze bellen elkaar”, weet de agente. „Niet allemaal, sommigen.” Rakelings klotsen de hoeven van hun paarden nu langs mannen gezeten op een badlaken naast een sporttas en een opengeslagen boek. Staan doen ze niet meer, allemaal hebben ze een onderbroek aan.

Alleen Cor en Corrie reageren. Het bejaarde echtpaar ligt hier vaker te zonnen, lekker uit de wind. „Mag dit ook niet?” vraagt Corrie aan de agentes terwijl ze haar T-shirt omhoogtrekt en haar borsten toont. „Waar zijn de vrijgevochten tijden, hè Cor. Je mag tegenwoordig niks meer. ”

De agentes zijn nog niet achter het laatste duin verdwenen als bij een enkeling de broek alweer op de knieën hangt. Corry wijst naar de twee mannen naast haar. Een forse man met lang grijs haar en een tengere jongen ernaast. „Ik moest wel lachen”, zegt ze. „Ik zag ze daarnet denken ‘oh, onraad’ en hup, hun broeken ging aan.”

Waarom zij hier zitten? „We zitten hier gewoon”, zegt de forse man met een Amerikaans accent. „Wat is aan de hand?” vraagt hij. Geïnteresseerd hoort hij het hele verhaal aan over de stokstaartjes, hun migratie en de slag om de Van Dixhoorndriehoek. „Daar weet ik niets van”, zegt hij vriendelijk. Om hem heen hangt een indringende geur van mannenparfum.

 

Een lijk in het kanaal

Bijna iedereen in het dorp haatte Johan de Waal. Dus rouwig zijn ze er niet om dat zijn lijk uit het Kanaal van Steenenhoek is opgevist. „Als de politie de moordenaar vindt dan krijgt hij een lintje.”

Door

Carola Houtekamer en Freek Schravesande namens NRC Next

PROLOOG

Een jongen zwaait vanaf zijn barkruk met een mobieltje. Op het scherm een foto van een plastic skelet dat uit het water steekt, met een cowboyhoed op. Kijk! Johan!

Lachsalvo’s.

Achter de toonbank hebben ze nog wel een rekening van hem liggen. Even zoeken, hoor. Die durfde de kroegbaas niet te innen, want met Johan wist je ’t nooit. Die kon opeens uitschieten, en dan had je weer rotzooi met bloed en glas en splinters.

De rekening zal Johan de Waal nooit meer betalen, want hij is dood. Vermoord. Met een betonblok aan z’n voeten in het kanaal gegooid. Door wie? Weten we niet, zeggen ze in dorpscafé ’t Kraaienest. Hoeven we ook niet te weten. „En als de politie er wel achter komt, krijgt de moordenaar een lintje.”

HOOFDSTUK I

Boven-Hardinxveld. Op de dijk ernaartoe waarschuwen verkeersborden in het Pools dat omdraaien niet meer kan. Het dorp ligt geïsoleerd, afgesneden als een taartpunt door de Merwede en het Kanaal van Steenenhoek.

Vroeger slingerde het dorp als een lint van vissers en grindwerkers langs de rivier. Nu is Boven-Hardinxveld met nieuwbouw opgepompt tot een gemeenschap van vijfduizend inwoners. In het hart geen dorpsplein, maar een gigantisch bejaardencomplex. Een sfeerboetiek met rieten mandjes en boerenjongens verving de schoonheidssalon. Op de werf werken Polen. Op zondag lopen de straten vol met vrouwen in rokken, de rest van de week is het stil. Dorpsbewoners komen elkaar tegen bij de supermarkt of bij een van de kerken. Dan groeten ze elkaar. Soms is er in het bejaardentehuis een knutselmiddag voor de kinderen.

Johan de Waal, 54 jaar, was een excentriekeling in het dorp. Hij droeg een cowboyhoed, reed rond in een reusachtige, zwarte pick-up. Op zondag ging hij niet naar kerk, maar reed hij in vol ornaat met zijn paardenkoetsje door het dorp.

Een moeilijk man, dat was hij ook. Een gehate man. „Bloedvergietend sterk”, zeggen dorpsbewoners. Een man die met iedereen weleens gevochten had. Die ruiten ingooide van het café. Die probeerde kinderen aan te rijden op de dijk. Met pakken vla smeet. „Echt een hufter”, „een onmogelijke vent”, „agressief”, „intimiderend”, „zuigend”.

HOOFDSTUK II

Opgeruimd staat netjes, dachten dorpsbewoners toen Johan na 9 januari niet meer opdook. Dáchten, want je moest niet te veel hardop speculeren. Voor je ’t weet was hij terug en stond hij op je stoep. Totdat Johan op 6 september, negen maanden later, per ongeluk werd opgevist uit het Kanaal van Steenenhoek door binnenvisser Ruub, van de Rivierdijk. Nog geen kilometer van zijn eigen huis. Een lijk verzwaard met een ketting, een metalen gewicht en een betonnen opsluitband, samen 160 kilo. Dat kon geen ongeluk meer zijn.

In het dorp konden ze er nog wel om lachen.

„Waarom ’t storm loopt bij visser Ruub? Omdat hij Wáling heeft gevangen!”

Niet snel daarna vielen rechercheurs het dorp binnen. Ze ondervroegen iedereen, ook de bejaarden in hun flatjes tegenover Johans huis. Opsporing Verzocht toonde foto’s van het kanaal, van de pick-up voor zijn huis, en van Johan zelf: lange vent, rode baard, cowboyhoed. Getuigen hadden op de avond van zijn verdwijning een worsteling gehoord op zijn erf. Op het leugenbankje bij de rivier smoesden oude mannen over wie de dader kon zijn.

In september werden twee verdachten aangehouden. Een dorpsgenoot en een neef, 21 jaar, die pal naast Johan woont.

Geen wonderlijke keuze. Het hele dorp wist dat het oorlog was tussen Johan en zijn broer Piet, de vader van de neef. Een broedertwist die regelmatig ontaardde in een vechtpartij waarbij ze elkaar met rieken achterna zaten. Toen Piet vorig jaar aan kanker overleed, zou Johan de vlag hebben uitgehangen. Sterker: Johan zou een vlag hebben geplant op het graf van zijn broer. Hij zou zelfs hebben gedánst op het graf.

HOOFDSTUK III

De dorpsgenoot en de neef zijn weer vrij, al gelden ze nog wel als verdachte. De moeder van de neef rookt op het erf een sigaretje. Hij is op het land, zegt ze, maïs aan het hakselen. Nu gaat ze frikandellen voor hem bakken. „En verder moeten we ’t allemaal nog verwerken.” De neef drijft honderd meter verderop in een oude jeep een paar pinken bij elkaar. „Iedereen heeft z’n verhaaltje klaar”, zegt hij bij het hek. „Maar ik ga gauw weer verder.”

Buurtbewoners denken niet dat de neef iets met de zaak te maken heeft. En mocht hij het wel gedaan hebben, zegt een jongen met twee dikke glimmers in z’n oren bij het kanaal, „dan wordt-ie geprezen”.

Johan had wel meer vijanden. Hij deed zaken in het buitenland, dingen met paarden of misschien wel drugs.

De politie graaft intussen door. Maar het dorp heeft het oordeel al geveld. „Had Ruub hem maar weer laten zakken”, zeggen ze in café ’t Kraaienest. Dan was er geen lijk, en was er ook geen dader.

HOOFDSTUK IV

Hoe komt een man aan zoveel vijanden?

Jan de Waal, de oom van Johan, zijgt voorzichtig in zijn stoel. Hij is 89. Hij doet zijn gehoorapparaat in en kijkt op zijn horloge. Het is bijna twaalf uur. Op het fornuis koken peentjes, op de bank slaapt zijn vrouw. Met zachte stem: „Het appeltje valt niet ver van de boom.”

Het geslacht De Waal kwam een paar generaties terug als pachtboeren in het dorp. Import. De grootouders van Piet en Johan waren lid van de grote dorpskerk, weet Jan, en vonden aansluiting.

Terwijl links en rechts boeren het werk opgaven, ging de familie De Waal door. Ze overleefden de anderen door steeds een stukje land bij te kopen, steeds een koe toe te voegen aan de stapel. Keihard werken. „Het ging altijd allemaal om geld”, zegt Jan. „Maar het heeft ze niet ver gebracht.”

Twist zit in de genen van de familie. Oom Jan had ook ruzie met zijn broer: de vader van Johan en Piet. Ze waren het niet eens over de verdeling van de boerderij en Jan vertrouwde zijn broer niet met het geld. Toen neefje Johan puber was, werd de situatie op de boerderij „onhoudbaar”. Jan vertrok. Hij heeft nauwelijks contact meer met die kant van zijn familie.

Maar hij weet nog wel hoe de jonge Johan was. Die zei op z’n zestiende met een luchtbuks in de hand tegen z’n oom: „Zo makkelijk als ik dat vogeltje uit de lucht schiet, zo makkelijk schiet ik jou neer.” Piet was geen haar beter, zegt Jan. Samen staken ze de banden lek van Jans zoon en duwden ze ’m veel te lang kopje onder in het kanaal. Hetzelfde kanaal waaruit Johan dit jaar werd opgevist.

Er kwam wéér ruzie om de boerderij. Toen hun vader door een stier werd doodgedrukt, erfden Piet en Johan samen de maatschap. Daarmee werden ze levenslang tot elkaar veroordeeld. Nog geen tien meter bij zijn broer vandaan liet Johan een bungalow voor zichzelf bouwen. Johan was ‘de machineman’, hij verhuurde zichzelf met kiepwagens als grondwerker, terwijl Piet, ‘de koeienman’, de boerderij deed. Johan raakte gefrustreerd. Hij wilde boeren, dat zat ’m in het bloed. Maar dat ging niet met zijn broer. Verhuizen was geen optie, wie verhuisde was de verliezer. De ruzies liepen hoog op. Geregeld moest de wijkagent komen.

Op de begrafenis van Piet, vorig jaar, was veel meer volk dan op de begrafenis van zijn broer Johan. Het shantykoor Ahoy waarvan Johan een jaar voor zijn dood lid was geworden, was misschien wel de enige die een rouwadvertentie plaatste. Het dorp probeert de geschiedenis te vergeten. „Niemand heeft er belang bij dat de dader wordt gevonden”, zegt de één. Een ander: „We zijn blij dat het is opgelost”.

HOOFDSTUK V

De lichtgroene rolgordijnen van de bungalow van Johan de Waal aan de Koningin Wilhelminalaan hangen nu al negen maanden naar beneden. In de ruit zit een barst, vermoedelijk ingegooid. De houten balken van de oprit rotten weg. De gietijzeren paardenkoppen in het hek herinneren aan de grote hobby van Johan.

Johan hield meer van paarden dan van mensen, zoveel is duidelijk. Hij was sociaal niet handig, zegt Teus van den Bout, eveneens een neef van Johan. De schapenboer uit Goudriaan, twintig kilometer verderop, woont met zijn vrouw en drie kinderen in een houten keet naast de stal.

In het dorp werd Johan steeds meer een buitenbeentje, vertelt Teus. Hij had handeltjes in antiek en in paarden, dat vinden ze vreemd in het dorp. En er was jaloezie, want Johan had geld. Reden de andere boeren nog rond in een oude trekker, dan had Johan een splinternieuwe. En hij was altijd nadrukkelijk aanwezig. Grote auto, rare kleren, grote mond. Teus: „Dat moet je in Boven-Hardinxveld niet doen. Dan ben je raar, dan wordt er over je gepraat. Mensen hier houden niet van aparte dingen.”

Johan verhardde, isoleerde. „Er zijn mensen die behoefte hebben aan een beetje liefde”, zegt Teus, „en mensen die behoefte hebben aan heel veel liefde. Dat had Johan, en dat kreeg hij niet”.

Johan had ook een andere kant. Voor zijn dood hielp Johan vaak op de boerderij van Teus. „Opruimen, vegen, brandnetels uittrekken, trekker rijden. De extra handen waren welkom hier. ” Hij hielp soms wel vijftig uur in de week. Vroeg niks voor zijn hulp. Regelde een meststrooier toen Teus daar geen geld voor had. Kwam z’n afspraken na. Nam kadootjes voor de kinderen mee, liet ze met z’n hondje spelen.

Tegen z’n dochtertje: „En wat nam oom Johan altijd mee?”

„Bóbby.”

„En hoe noemde hij jou?”

„Kleine Bámbi.”

Een jaar voor zijn dood meldde Johan zich aan bij een shantykoor in de buurt, tegen de eenzaamheid. „Nooit problemen met hem gehad”, zeggen ze daar. „Hij deed gewoon gezellig mee.” Een goede vriendin kwam altijd mee naar de uitvoeringen. Die vrouw had een goede invloed op ’m, zegt Teus.

Hij heeft geprobeerd Johan te verzoenen met zijn broer, zegt Teus. Het was wel gelukt om de generatie daarboven om de tafel te krijgen. Maar bij Johan en Piet lukte het niet. En toen kreeg Piet kanker.

Hing Johan echt de vlag uit op Piets sterfdag? „Johan zei wel: het is vlaggetjesdag als Piet doodgaat. Maar de dag dat-ie stierf, heeft Johan hier aan tafel zitten huilen. Die vlag, dat is de tamtam.”

EPILOOG

In het café klinkt die tamtam, daar tuimelen de sterke verhalen over de bar. Had-ie laatst niet een glas stukgeslagen en daar mensen mee bedreigd? Had-ie niet die ene in elkaar geslagen waar z’n kinderen bij waren? Werkte zijn ex niet in een bordeel?

Eén man aan het einde van de bar houdt zich afzijdig. „Ik was wel goed met Johan”, zegt hij zachtjes. Even was hij bang dat een neefje van hem, een vriend van de verdachte, Johan in het kanaal had gegooid. Maar dat denkt hij niet meer, anders was het al wel uitgekomen. Het waren mensen van buiten. Misschien.

Hij snapt Johan wel. Zijn eigen moeder kwam niet van hier, dus hij was ook een buitenbeentje. Een underdog, net als Johan. „Ik moest elke dag vechten op de werf.” Wie eenmaal een stempel heeft in Boven-Hardinxveld, komt daar niet meer vanaf, zegt hij. En als je niet wordt geaccepteerd, dan word je hard. „Dan groeit je karakter ertegenin.”

Juryrapport

‘Schravesande is een ongebruikelijk talent dat veel ruimte kreeg voor onorthodoxe onderwerpen.’

Freek Schravesande

Freek Schravesande (1982) is verslaggever van nrcnext. Uit de ingediende stukken blijkt dat hij een ongebruikelijk talent is dat bij nrcnext (in ieder geval destijds) veel ruimte kreeg voor onorthodoxe onderwerpen: de leraar die een leerling heeft geslagen en daar vrijmoedig over spreekt; de mannen die er in de duinen bij Hoek van Holland plezier aan beleven om zich te ontbloten (en verdreven worden door de overheid met als gevolg dat ze nu overal opduiken) en het verhaal over het lijk in het kanaal. Vooral het laatste is bijna hilarisch, doordat alle omwonenden blij zijn dat het slachtoffer aan zijn einde is gekomen en er geen been in zien om dat tegenover de verslaggever breed uit te meten.