Vechten tegen frustraties

Hoe langer de strijd duurt, hoe meer scheuren er komen in het front van de rebellen in Syrië. De oorlog wordt met de dag ingewikkelder.

Door

Hans Jaap Melissen namens Vrij Nederland

Azaz is aardedonker. Achter een heuveltje naast de ringweg rond de Syrische grensplaats zit een groep rebellen verscholen. Ze houden hun kalasjnikovs gericht op het weinige verkeer. Een paar honderd meter verder staat een uitgebrand busje vol met jerrycans en vaten benzine. Zes gewapende schimmen steken snel over en verdwijnen in het duister. ‘Dit is niet best. Dit betekent oorlog,’ zegt mijn chauffeur Abdu. Hij kijkt verontrust, zijn ogen zijn bijna net zo groot als de gaten die machinegeweren in de huizen van Azaz hebben geschoten.

Hier in Azaz dreigt vanavond geen aanval van regeringstroepen. Er is strijd tussen de rebellen onderling. ‘Er is een conflict tussen Abu Ibrahim en Ahmed Abid,’ verduidelijkt Abdu. Abu Ibrahim is de lokale leider van het Vrije Syrische Leger, die zich vooral heeft ontfermd over de ingenomen grenspost met Turkije. In het leven vóór de oorlog probeerde hij, als notoir smokkelaar, die officiële grensovergang juist te omzeilen.

Abu Ibrahims positie als chef grenspost wekt afgunst op in zijn directe omgeving en vooral bij Ahmed Abid, een voormalig docent en een oude strijdmaat van Abu Ibrahim. Samen hebben ze in juli Azaz bevrijd van de regeringstroepen. Maar toen de vijand eenmaal was verslagen, ontstonden er al snel problemen. Ahmed Abid, die vlak bij de Turkse grens een eigen militair kamp heeft, zou willen meedelen in de winst die de grensovergang oplevert. ‘Na een heftige ruzie heeft Abid gedreigd zijn aandeel zelf te komen ophalen,’ weet Abdu. ‘Vreselijk toch. Assad zou zich rot lachen als hij ons zo bezig ziet! Wij moeten juist hem bevechten.’

Abdu wordt steeds zenuwachtiger en heeft inmiddels de binnenverlichting van zijn busje aangedaan zodat de mogelijk nog nerveuzere strijders van Abu Ibrahim ons niet aanzien voor welke vijand dan ook. De troepen van Assad zijn hier ook maar een paar kilometer van verwijderd.

Abdu weigert mij vanavond bij hem thuis te laten slapen. Dus rijden we naar de grens waar de spanningen rond het douanekantoor hoog zijn opgelopen. Iedereen vreest een aanval. Douanier Abu Youssef laadt zijn pistool door. In zijn kassa liggen dikke stapels bankbiljetten. Overal staan kleine groepjes rebellen te praten. Niemand heeft het over Assad, de vijand is in eigen kring.

Als ik lang bij de grens blijf hangen om te kijken of het uit de hand gaat lopen, wordt mij met zachte hand duidelijk gemaakt dat ik beter kan vertrekken.

Antiwesterse gevoelens

De volgende dag keer ik terug en blijkt alles weer rustig. Het is niet meer tot een gevecht gekomen. Er is, volgens Abdu, een oplossing gevonden: ‘Abid krijgt zijn aandeel in de grensinkomsten.’

Het incident zegt veel over de onderlinge verhoudingen bij de rebellen. Niet alleen hun politieke vertegenwoordigers zijn verdeeld: ook in het veld heerst een groot gebrek aan eenheid. Op meer plaatsen in Syrië hebben zich soortgelijke problemen voorgedaan. Soms gaat het simpelweg om geld of om de verdeling van de beschikbare wapens en munitie, dan weer zijn de problemen meer religieus van aard. Vaak spelen meerdere elementen een rol.

De rebellen die ik eind juli aantrof bij deze grenspost met Turkije hebben in een paar maanden allerlei stadia doorlopen. In eerste instantie waren ze euforisch na hun overwinning in Azaz en hoopvol dat de val van Aleppo snel zou volgen. Toen dat minder makkelijk ging en ook de hoop op een buitenlandse interventie ijdel bleek, volgden verbittering en frustratie. De spanning over de vastzittende strijd is overal voelbaar en leidt tot antiwesterse gevoelens, met daaraan gekoppeld een groeiende sympathie voor buitenlandse radicale moslims die de Syrische opstand wél militair steunen.

Of die buitenlandse strijders de afgelopen maanden erg sterk in aantal zijn toegenomen, is ter plekke lastig te ontdekken. Het zou om honderden gaan, geen duizenden. Sowieso is het vrijwel onmogelijk om hen als westerling te benaderen: van journalisten moeten ze niets hebben.

Baard laten staan

In eerste instantie waren veel rebellen juist sceptisch over de aanwezigheid van de buitenlandse strijders. Maar ze lijken dus aan aanzien te winnen. ‘Zij weten hoe ze moeten vechten,’ of: ‘Zij hebben wel toegang tot buitenlands geld en wapens,’ zijn gangbare opmerkingen uit de mond van rebellen. Ook doet het verhaal de ronde dat je als rebel beter je baard kunt laten staan, omdat je dan makkelijker geld en wapens uit Qatar of Saoedi-Arabië zult krijgen.

Maar deze buitenlandse hulp is tot nu toe niet doorslaggevend. Nog steeds staan de rebellen machteloos tegenover de luchtmacht van Assad. Ook al hebben ze naar alle waarschijnlijkheid een enkele helikopter en straaljager neergehaald in de afgelopen maanden, efficiënte wapens om vliegtuigen te raken zijn er nauwelijks. De vorderingen die op sommige plaatsen worden gemaakt, zijn langzaam en gaan ten koste van veel levens aan de kant van de rebellen.

Bij mijn meest recente bezoek aan de frontlinie van Aleppo zijn de zwaarste wapens die ik zie raketwerpers die, bij handig gebruik, wel een tank kunnen uitschakelen. Ook zitten sommige rebellen achter volautomatische machinegeweren, maar de meesten zijn bewapend met kalasjnikovs. ‘Kogels kosten twee dollar per stuk,’ vertelt een jonge norse rebel, die onverstoorbaar zijn mes slijpt, alsof hij wil laten zien dat hij desnoods zonder geweren ook door zal vechten. ‘Die kogels kopen we vaak van milities van Assad trouwens,’ zegt hij. Het valt niet te verifiëren of dat waar is. Hoewel in elke oorlog verbijsterende voorbeelden zijn te vinden van handel met de vijand.

Geen van de landen die zich nu met geld en wapens bemoeien met Syrië heeft behoefte om luchtdoelraketten aan de rebellen te leveren. Men is bang dat die wapens na de oorlog een gevaar zullen vormen voor de burgerluchtvaart.

Grote vraag is of de rebellen de oorlog snel winnen zodra ze wel dat soort wapens hebben. Zelf denken ze van wel. Maar op dagen dat de straaljagers vanwege slecht weer bijvoorbeeld niet vliegen, is er geen spectaculaire vooruitgang aan het rebellenfront. De oppositie probeert de bases waar de straaljagers en helikopters opstijgen, aan te vallen. Maar de kleine helikopterbasis net buiten Azaz is al maanden door rebellen omsingeld en nog steeds in handen van Assad.

De straaljagers en helikopters zorgen intussen voor grote aantallen burgerdoden. Veel van de gewonde burgers die arriveren in het Dar al Shifa-ziekenhuis in Aleppo zijn niet door kogels geraakt, maar door vliegtuigbommen of raketten. Een van de meest gevreesde wapens die Assad gebruikt is de vatenbom: een geïmproviseerd explosief dat uit helikopters wordt gedropt. Het is niets anders dan een vat TNT aangevuld met stukken metaal, die na de ontploffing als dodelijke kogels in het rond vliegen.

Geen buitenlandse hulp

De grote hoeveelheid gewonden en de beperkte medische zorg leidt ook tot grote verbittering onder de bevolking. Op een enkele verdwaalde arts na en vier AZG-posten in Noord-Syrië, zijn er nauwelijks buitenlandse dokters die de overwerkte lokale artsen assisteren. Het Dar al Shifa-ziekenhuis in Aleppo zou hen graag verwelkomen. Net als het onlangs geopende ondergrondse ziekenhuis, op een geheime locatie net buiten Aleppo. In dat hospitaal beweren meerdere gewonden bovendien dat ze eerst in Turkije zijn behandeld, maar toen weer zijn teruggestuurd. ‘Het is toch bizar dat je hier nota bene in een ziekenhuis een groot risico loopt om gewond te raken,’ zegt Abduhl Hamid, een van de artsen. ‘We worden in de steek gelaten. Op alle mogelijke manieren.’

Ook de kritiek op de mishandeling van gevangen Assad-militairen en de standrechtelijke executies die rebellen uitvoeren, is vanuit hun perspectief een vorm van in de steek gelaten worden. ‘Waarom maakt iedereen zich hier zo druk om? Wij rekenen af met mensen die onze kinderen vermoorden,’ zo luidt hun verdediging. De meeste rebellen zijn zelfs trots op deze wapenfeiten, al begrijpen de leiders wel dat de filmpjes die ervan zijn gemaakt, geen goede reclame zijn voor de oppositie. Ze zijn bang dat door dit soort video’s de animo om in te grijpen nog minder zal worden.

Aan de andere kant: juist omdat er geen hulp komt, verhardt de gemiddelde rebel en heeft hij minder medelijden met de vijand. De rebellen hebben steeds minder boodschap aan het Westen. Was er in de zomer nog een open houding naar journalisten of buitenlandse mensenrechtenorganisaties, die is nu wel verdwenen. Dat blijkt bijvoorbeeld als ik Abu Hatem weer opzoek. Een paar maanden geleden was hij nog directeur van een gevangenis in een dorp niet ver van Aleppo. Het voormalig schoolgebouw dat daarvoor was ingericht, zat vol Assad-militairen en anderen die werden verdacht van werken voor het regime. Abu Hatem liet journalisten uitgebreid praten met de gevangenen, die er soms duidelijk mishandeld uitzagen. Na een bezoek van de BBC was de gastvrijheid afgelopen. De kritische toon van die reportage werd niet gewaardeerd. Even wilden de noordelijke rebellen zelfs helemaal geen BBC meer doorlaten aan de grens.

Inmiddels is de gevangenis verplaatst naar een locatie op de grens met Turkije, buiten bereik van straaljagers. ‘Maar ook buiten bereik van boze inwoners van Mare, die ons echt het dorp hebben uitgejaagd,’ vertelt Abu Hatem. Zij waren bang dat de school annex gevangenis zou worden gebombardeerd, met de gevangen soldaten van Assad erin.

Abu Hatem laat de verhuisde gevangenen nu niet meer zien. Ook zijn belofte dat het Rode Kruis of andere organisaties hen zouden mogen bezoeken, geldt niet meer. ‘Orders van hogerhand,’ zegt hij. De rebellen hebben geen zin meer in negatieve verhalen over hoe zij hun gevangenen behandelen.

‘We hoeven sowieso helemaal geen buitenlandse hulp meer,’ beweert rebel Abdul Rahman. ‘Het is allemaal te laat.’

Chemische wapens

Toch is buitenlandse inmenging, ondanks hun stoere taal, nog steeds iets waarop veel rebellen stilletjes hopen. Geen invasie, maar hulp tegen die levensgevaarlijke straaljagers en helikopters. Dat zou, op zijn minst, een no-flyzone betekenen. De gedachte dat de rebellen niet eens wapens krijgen, laat staan een no-flyzone, hoeft niet juist te zijn. Want welk land gaat luchtdoelraketten leveren als het uiteindelijk bereid is een no-flyzone af te dwingen? Dan vormen die raketten een mogelijk gevaar voor je eigen luchtmacht.

Uiteraard is een onderhandelde vrede, waarbij Assad zijn macht opgeeft en in het buitenland gaat wonen, een gedroomde optie. Die al door de tijd is ingehaald.

Binnen de complexe internationale verhoudingen is op dit moment geen enkele consensus te verwachten over ingrijpen in Syrië. Ook niet over een no-flyzone. Die zal Russische en Chinese weerstand blijven oproepen in de VN-Veiligheidsraad. In Libië resulteerde zo’n zone in een luchtmacht voor de rebellen. De Russen en de Chinezen hadden alleen ingestemd met bombardementen om de burgerbevolking te beschermen. Maar Turkije, Qatar, Groot-Brittannië en Frankrijk zouden nog steeds de pijlers van een ‘coalition of the willing’ kunnen zijn. Met meer op de achtergrond ondersteuning door de Verenigde Staten. Veel rebellen hopen dat president Obama in zijn tweede termijn toch nog speelruimte vindt voor zo’n, beperkte, operatie.

Vanuit humanitair oogpunt is een no-flyzone boven Syrië absoluut te rechtvaardigen. Vanuit dat perspectief is het nauwelijks te rechtvaardigen dat je die niet instelt. In vele jaren oorlogsverslaggeving heb ik zelden een regering gezien die met zoveel gemak de eigen bevolking bombardeert. Ook al is het niet waar, wat de rebellen beweren, dat de Syrische luchtmacht alleen maar lukraak bommen laat vallen. De onnauwkeurige straaljagers en de nog minder precieze vaten uit helikopters missen domweg erg vaak hun doel, ten koste van gewone woningen, winkels en scholen. Bovendien beschouwen de troepen van Assad ziekenhuizen als een legitiem doelwit. Het Dar al Shifa-ziekenhuis in Aleppo is minstens vijf keer geraakt. Veel gebouwen in de directe omgeving hebben voltreffers gehad die eigenlijk voor het ziekenhuis waren bedoeld.

Een no-flyzone zou bovendien kunnen betekenen dat er een veilige zone op de grond kan ontstaan waar vluchtelingen worden opgevangen. Daarmee zou de druk van de buurlanden van Syrië worden gehaald. Alleen is een veilige zone in Noord-Syrië slechts te handhaven als je ook bereid bent tanks en andere artillerie uit te schakelen die zich in de buurt van die plek begeven. Daarmee ligt het gevaar van een ‘luchtmacht van de rebellen’ opnieuw op de loer.

De Libische variant: een no-flyzone, in combinatie met het bombarderen van zware wapens, waar zich die ook maar bevinden, zal ook spoedig het einde inluiden van het tijdperk-Assad. Maar meer nog dan in Libië betekent dat absoluut geen einde van de oorlog. Ook de meeste rebellen zien dat in.

Een VN/Arabische Liga-vredesmacht zou nodig zijn, met daarbij de eeuwige vraag hoe effectief zo’n macht zou kunnen zijn. Een zeer robuust mandaat kan misschien nauwelijks voorkomen dat er op grote schaal wraak wordt genomen op de alawieten.

Niets doen en de oorlog laten voortduren zal tot een verdere radicalisering van de Syrische samenleving leiden. In het uiterste geval zullen de buitenlandse radicale strijders door een veel grotere groep van de samenleving worden geaccepteerd dan wanneer er wel was ingegrepen. Dat zal voor buurland Israël een moeilijk te accepteren gegeven zijn. Zeker in een land waar chemische wapens klaarliggen. Ook de Verenigde Staten hebben al gezegd dat die wapens een rode lijn vormen: als die in verkeerde handen dreigen te vallen, grijpen de Verenigde Staten in. Met of zonder VN-mandaat.

Woedende inwoners

Intussen lijkt het of de wereld wacht op een wonder: een plotseling vertrek van Assad, een succesvolle aanslag op de president, of een enorme doorbraak in de strijd op de grond. Daar ziet het nog niet naar uit. Al boeken de rebellen wel degelijk regelmatig successen. Maar zolang vliegtuigen door rebellen bevrijde dorpen en steden bombarderen, is er nooit echte terreinwinst te boeken. Ook is het lastig om tot organisatie van een nieuwe samenleving te komen. Toen Azaz net was ‘bevrijd’, trokken de rebellen in het voormalige hoofdkwartier van de Ba’ath-partij in het centrum. Maar een vliegtuigbom, bedoeld voor dit gebouw, belandde in de woonwijk ernaast en doodde tientallen inwoners. De volgende dag werd het kantoor weer ontruimd. Nu staan de nieuwe instituties van Azaz letterlijk op de Turkse grens. Naast het douanekantoor bevinden zich onder meer een ‘media-office’ en een ‘hulpcentrum’. Azaz en andere plaatsen in het noorden zijn daarom nauwelijks bevrijd gebied te noemen.

De strijd van de rebellen is intussen vooral ook een gevecht tegen hun eigen frustraties. De uitingsvormen van die frustraties, vastgelegd op weerzinwekkende YouTube-filmpjes waarin rebellen hun gevangenen standrechtelijk executeren, zorgen er niet alleen voor dat de rebellen zich verwijderen van de internationale gemeenschap, ze kunnen ook een binnenlands effect hebben. Regeringsmilitairen die op het punt staan over te lopen, zullen zich wellicht bedenken als ze zien hoe makkelijk hun collega’s worden afgeslacht. Al gebeurt dat meestal direct volgend op een heftige gevechtssituatie.

De tijd is geen vriend van de rebellen. Hoe langer de strijd duurt, hoe meer scheuren er in het rebellenfront kunnen komen, zoals in Azaz gebeurde. Bovendien is ook de steun van de bevolking in steden als Aleppo fragiel. Tijdens mijn eerste bezoek in augustus hoopten veel inwoners nog dat de strijd snel beslist zou zijn. Waarbij overigens lang niet iedereen hoopte op winst voor de rebellen. Maar nu steeds meer gebouwen worden kapotgeschoten, de belangrijkste handelsstad van het land langer stil ligt en er elke dag meer doden en gewonden vallen, is het wachten tot bewoners zelf de rebellen uit hun stad verjagen. De rebellie is Aleppo immers opgelegd; bijna alle strijders komen uit de dorpen buiten de stad. Mijn chauffeur Abdu is doodsbenauwd om samen met mij in de straten van Aleppo te lopen, waar we niet in het zicht zijn van een rebellenpost of checkpoint. Woedende inwoners hebben al meerdere keren rebellen met stenen bekogeld.

De eerste straaljagers

In de omgeving van Azaz, waar de rebellenopmars deze zomer juist zoveel momentum leek te krijgen, is goed te zien hoe de oorlog in Syrië met de dag ingewikkelder wordt. De dag nadat de rivaliserende rebellen van Abu Ibrahim en Ahmed Abid vrede hebben gesloten, rijd ik met Abdu naar een controlepost net buiten Azaz. Die bevindt zich een paar kilometer van een vliegbasis van Assad. Voorheen stonden de rebellen met hun geschut uiteraard die kant op gericht. Maar vandaag staan ze exact 180 graden gedraaid. Ook zijn er veel meer rebellen: misschien wel drie keer meer dan anders. Een rebel deelt zakjes met kogels uit en zegt: ‘We staan hier om de honden van Assad tegen te houden.’ ‘Moet u dan niet precies andersom staan?’ informeer ik beleefd. ‘Nee, het gaat nu om de Koerden. Die hebben op ons geschoten. Er zijn vannacht twee doden gevallen aan onze kant, de afgelopen dagen zelfs vijf doden.’ Tegen de heuvel verderop ligt het eerste Koerdische dorp, ingeklemd tussen Azaz en de Turkse grens. ‘Koerden zijn allemaal slechte mensen. Ze werken als milities voor Assad,’ vertelt Abdu.

De Koerden hebben de oorlog aangegrepen om goed voor zichzelf te zorgen. In hun dorpen is de Koerdische vlag gehesen. Assad heeft het toegelaten, om zich te kunnen richten op de gewone rebellen. Bovendien vindt Assad het allang best als de semi-onafhankelijke Syrische Koerden de Turken zenuwachtig maken. Al maken ze nu vooral de rebellen nerveus. ‘De Koerden tolereren niet dat wij onze rebellenvlag ophangen bij de checkpoints in hun dorpen. Toen is het een beetje uit de hand gelopen,’ erkent Abdu.

Als we wegrijden, gedwongen door rebellen die geen pottenkijkers willen, gaat Abdu even tanken in Azaz. Dat kan allang niet meer bij een officieel benzinestation: die zijn leeg of kapotgeschoten. Net wanneer een zwarthandelaar zijn jerrycans leeg giet in Abdu’s auto, vliegen met luide knallen een paar mortieren de stad binnen. Niet uit Koerdische richting, maar vanaf de militaire vliegbasis net buiten Azaz. Het wordt doodstil op straat. Vanaf de basis blijven de mortieren komen. Als we volgetankt wegrijden in de richting van Aleppo duiken de eerste straaljagers boven ons op. Bij een sportveldje zet Abdu de auto stil en stappen we uit om naar de gevechtsvliegtuigen te kijken. Een straaljager maakt een duikvlucht en klimt daarna steil omhoog. Doffe dreunen klinken in de verte.

 

De angst van het tandeloze verzet

De provincie Idlib zou volgens de Syrische oppositie in hun handen zijn. Maar het Vrije Syrische Leger houdt zich schuil.

Door

De provincie Idlib zou volgens de Syrische oppositie in hun handen zijn. Maar het Vrije Syrische Leger houdt zich schuil. namens Vrij Nederland

Schoten klinken vlakbij. Samir veert op en haast zich de kamer uit. Voorzichtig stapt hij het dak op. Zijn rechtervoet zit in het verband. Even later keert hij terug. ‘Er liep iemand van de Shabiha met een wapen over straat om de mensen te waarschuwen dat ze morgen na het vrijdaggebed niet moeten gaan demonstreren. Hij schoot over de hoofden heen.’

De Shabiha is de verzamelnaam voor de burgermilities en verklikkers die voor het regime van Assad werken. Ook in deze plaats in de noordelijke Syrische provincie Idlib wonen ze. Samir (27, student filosofie) weet goed waartoe ze in staat zijn. Dankzij hen zat hij een maand lang gevangen in de provinciehoofdstad Idlib. Hij was opgepakt toen hij op een vrijdag de moskee verliet om te gaan demonstreren. Veiligheidsdiensten hadden tijdens de dienst het gebouw omsingeld. ‘Met twee anderen moest ik naar de gevangenis, waar ik om de dag werd gemarteld.’ Hij wijst op zijn voeten: overal littekens. Met een ijzeren staaf is vooral zijn rechtervoet toegetakeld. Vaak hing hij zo’n twaalf uur lang met zijn handen boven zijn hoofd aan het plafond terwijl hij werd geschopt en geslagen. ‘Vertel ons dat je een wapen hebt. En wie je vrienden van het Vrije Syrische Leger zijn,’ hoorde hij steeds.

Maar Samir was altijd een vreedzame demonstrant. Tot zijn vrijlating. ‘Nu ga ik mij melden bij het opstandelingenleger. Het liefst zou ik het hoofd van de gevangenis in Idlib doden.’ Samir moet dan wel eerst op zoek naar dat Vrije Syrische Leger, want het vertoont zich in deze plaats niet openlijk op straat. Ze hebben er geen hoofdkwartier of checkpoints. Maar volgens de bevolking zijn ze vlakbij.

‘We hebben het leger van Assad, dat enkele kilometers verderop staat, laten weten dat we hier met veel rebellen en flinke wapens op hen wachten. Dat is alleen niet helemaal waar,’ zegt Abu Ahmed, een schuilnaam voor een vriendelijke zestiger, die ‘iets’ doet voor de opstand. Zijn openhartigheid is opmerkelijk en misschien niet zo handig. Sowieso maakt dit deel van de noordelijke provincie Idlib een andere indruk dan Syrische oppositieleden in Libanon of Turkije schetsen. Volgens hen is Idlib ‘grotendeels in handen van de oppositie’. Maar er heerst vooral paranoia.

Voor mij, als journalist, is het verblijf hier een aaneenschakeling van onderduikadressen vinden, plat op de achterbank van een auto liggen of vermomd op de motor door olijfboomgaarden scheuren. Vanaf het moment van binnensmokkelen tot de nog moeizamere tocht terug, is alleen contact mogelijk met oppositieleden, demonstranten en militairen van het Vrije Syrische Leger. Op zoek gaan naar de aanhangers van Assad is niet alleen gevaarlijk voor een illegaal in het land verblijvende journalist, maar vooral ook voor zijn begeleiders.

Overal wonen verklikkers. En blijkbaar zijn die nog steeds in staat versterking op te roepen.

Toch gaan hier elke vrijdag mensen de straat op om te demonstreren. Of mondt een begrafenis van een omgekomen oppositielid, ‘een martelaar’, uit in een demonstratie tegen Assad.

Bij één zo’n begrafenis blijkt hoe diffuus de situatie hier is. De demonstranten lopen achter de baar aan, zwaaiend met oppositievlaggen. Ze scanderen leuzen tegen Assad. Op de route naar de begraafplaats passeren ze een enorme Syrische vlag, die het regime van Assad vertegenwoordigt, zonder dat iemand die van de mast durft te halen.

Het is in deze plaats dat Samir een maand geleden werd gearresteerd. Ook tijdens deze manifestatie menen deelnemers op een gegeven moment de gehate milities van Assad te zien. Maar nadat ze de westerse journalist vlug in een auto hebben weggereden, blijkt het vals alarm te zijn.

De paranoia in Idlib wordt mede gevoed door een gebrek aan informatie. Telefoons doen het niet. Er is geen internet. Tot een maand geleden werkte de mobiele telefoon nog, behalve op vrijdag als de autoriteiten de verbindingen afknepen. Nu lukt mobiel bellen alleen op plaatsen waar contact mogelijk is met Turkse gsm-masten. Geen wonder dat dozen met ‘two way radio’s’ – langeafstandswalkietalkies – binnen worden gesmokkeld vanuit Turkije.

Idlib is overduidelijk geen Benghazi, al wil de oppositie het wel graag zo verkopen.

Intussen neemt de angst toe. De terugtocht van de rebellen uit de stad Homs heeft laten zien dat het oppositieleger nauwelijks partij is voor de troepen van Assad. Ze noemden het zelf een tactische terugtrekking, maar de opstandelingen konden in de wijk Baba Amr simpelweg geen weerstand meer bieden. Idlib-stad, dat onlangs al zwaar is bestookt, is nu aan de beurt en naar verwachting daarna de rest van de provincie. Veel oppositieleden twijfelen aan het eigen opstandelingenleger. Niet aan hun moed, vastberadenheid of doodsverachting, maar aan de militaire mogelijkheden tegen een regime dat met zware wapens op woonwijken schiet.

Ook ex-gevangene Samir zegt na enig aarzelen dat hij alleen lid van het Vrije Syrische Leger wil worden als dat zwaardere wapens van het buitenland krijgt. ‘Ook moet er een no-flyzone komen, anders heeft het geen zin om te vechten.’

Een no-flyzone zou militairen uit het regeringsleger moeten stimuleren om over te lopen, eventueel samen met hun tanks. Vaak klinkt onder de oppositieleden simpelweg de roep om ‘bombardementen zoals in Libië’.

Volgens Abu al-Abed, een lokale leider van het Vrije Syrische Leger, neemt het rebellenleger vooral defensieve posities in. ‘Onze voornaamste taak is het beschermen van de ongewapende demonstranten. Ik vind het zelfs moeilijk om op landgenoten te schieten. We vallen wel eens een legerbasis aan, maar alleen om wapens te stelen.’

Abu al-Abed is welbespraakt en hij is zich steeds bewust van het beeld dat hij schetst tegenover een buitenlandse journalist. Dat beeld moet zijn dat er een keurige scheiding loopt tussen de demonstranten en het Vrije Syrische Leger. Met andere woorden: je wordt niet zomaar militair. Hij weet dat er in het buitenland veel twijfels bestaan over het bewapenen van de oppositie, omdat dan onduidelijk is bij wie de wapens terecht zullen komen.

Het oppositieleger beweert veel overgelopen militairen in de gelederen te hebben. Maar niet iedereen met ervaring in het leger is een overloper. Abu al-Abed zegt dat hij tankcommandant was. Maar al gauw blijkt dat hij praat over twintig jaar geleden, tijdens zijn dienstplicht.

Die dienstplicht was voor veel van de oppositieleden een bittere ervaring, die mede hun mening over het regime heeft gevormd. ‘Het is voor een net volwassen man een goed inkijkje in hoe ons land wordt gerund. En hoe de alawieten daar de dienst uitmaken,’ vertelt Ayman, een student uit Latakia, en soenniet. Assad is een alawiet, en heeft ervoor gezorgd dat in het leger de beste banen zijn voorbehouden aan zijn geloofsgenoten.

‘Ook op mijn universiteit zitten alawieten ten onrechte op bepaalde plekken,’ zegt Ayman. ‘Dat geeft veel onvrede.’ Alawieten vormen de sjiitisch-islamitsche clanachtige groepering die in Syrië de dienst uitmaakt.

Ayman is al twee maanden niet meer naar de universiteit gegaan omdat de sfeer er werd verziekt door milities. ‘Ze kwamen langs om te vertellen dat er niet over Assad mocht worden gesproken. Ook mocht je niet meer in groepjes van meer dan twee bij elkaar staan, anders zou het betekenen dat je met de revolutie bezig was.’

Ayman gelooft dat als het lukt Assad te verdrijven, het weer gauw vrede is in Syrië. ‘Ik begrijp de houding van de internationale gemeenschap niet. Ze zeggen dat het land uit elkaar zal vallen als Assad is verdreven. Maar waarom? Wij kunnen prima samenleven, ook met christenen en zelfs met de alawieten, als ze geen bloed aan hun handen hebben.’

Zijn woorden komen in een week dat in Libië het oostelijke deel van het land zich uitroept tot semiautonome staat. Bij het begin van de NAVO-bombardementen op dat land, een jaar geleden, beweerden de inwoners van verzetsstad Benghazi dat zoiets nooit zou gebeuren: ‘Wij Libiërs zijn allen één.’ Maar kort na de val van Tripoli bleek het land verdeeld, niet zozeer in stammen als wel in steden en regio’s.

In Idlib weten ze dat wat in Libië is gebeurd hen niet helpt bij de roep om ingrijpen. ‘Maar wij hebben hier geen stammen. En wij zijn veel beschaafder, dus hier hoeft de NAVO zich juist minder zorgen te maken,’ beweert Ayman.

Maar wat nu als er geen wapens komen, geen bombardementen, en de Syriërs het zelf moeten uitzoeken? Abu al-Abed denkt dat het hoe dan ook is gebeurd met Assad. ‘De economie krijgt harde klappen. Steeds meer mensen keren zich van hem af; nu ook een onderminister van Olie. Laten we hopen dat het er meer worden.

Ook het leger is volgens hem nog lang niet klaar met overlopen. ‘Negentig procent heeft er helemaal geen zin meer in, maar ze worden door de alawieten in de leiding gedwongen te blijven.’

Terwijl op de grond de tanks oprukken en de tijd dringt, proberen sommigen alles een positieve draai te geven. Ook Ayman: ‘Het nog even uitblijven van een no-flyzone of algemene bombardementen door wie dan ook, is misschien ook wel goed,’ denkt hij. ‘Het leger van Assad wordt in ieder geval met de dag zwakker. Er lopen nu al militairen over en ze verliezen mensen in de strijd. Straks hoeven ze alleen nog de finale klap te krijgen.’

Bovendien denkt hij dat als het leger intussen wel een overweldigende aanval zal inzetten op Idlib-stad en de provincie, de vluchtelingenstroom zo groot zal worden dat de internationale gemeenschap wel moet ingrijpen.

De aanval op Idlib is al voorzichtig begonnen. In Aymans ouderlijk dorp arriveren vluchtelingen uit dorpen verderop, die in de vroege ochtend zijn gebombardeerd. Ze hebben geen bagage bij zich, omdat ze anders niet door de checkpoints van het leger komen. Assad wil geen vluchtelingenstroom naar Turkije.

Drie doden, waaronder een zeven maanden zwangere vrouw. ‘Vier doden dus eigenlijk,’ zegt Ayman.

Ondanks de dreiging van Assads militairen en politiediensten wordt ook deze vrijdag weer overal gedemonstreerd. Ayman doet dat niet in het dorp van zijn ouders, waar hij is ondergedoken, maar in een stad in de buurt. ‘Mijn vader is een aanhanger van Assad, dat ligt allemaal moeilijk in de familie.’

In het stadje van zo’n zestigduizend inwoners komen ongeveer vijfhonderd demonstranten af op de manifestatie. Leden van het Vrije Syrische Leger houden gewapend de wacht. Het leger van Assad staat een paar kilometer verderop, maar grijpt niet in. Ayman kijkt naar de menigte en zegt: ‘Als ze er hier op een dag wel vol in gaan en we hebben nog steeds geen zware wapens gekregen, dan weet ik niet wat ik doe. Waarschijnlijk vlucht ik dan toch naar Turkije.’

Juryrapport

‘Melissen onderscheidt zich door de standvastige wijze waarop hij verslag doet van ingrijpende gebeurtenissen.’

Burgeroorlog in Syrië

Hans Jaap Melissen heeft in 2012 voor verschillende media (hij is freelancer) verslag gedaan van de strijd in Syrië. Daarvoor reisde hij verschillende keren onder moeilijke omstandigheden naar Aleppo. Melissen onderscheidt zich door de standvastige wijze waarop hij verslag doet van ingrijpende gebeurtenissen. Hij blijft onafhankelijk, laat zich niet meeslepen door emoties, plaatst zichzelf niet op de voorgrond, waagt zich niet aan speculaties, maar beperkt zich tot het verslag doen van hetgeen hij met eigen ogen en oren heeft gezien en gehoord. Daarbij houdt hij overzicht, zodat de lezer door zijn verslagen niet alleen ter plaatse is, maar ook inzicht krijgt in de complexiteit van de situatie.

De Tegel