Winnaar ‘Talent’

Vertaler van het ´nee´

Het ´nee´ tegen de Europese Grondwet kwam bij Frans Timmermans zo hard aan dat hij overwoog de politiek te verlaten. Inmiddels draagt hij als staatssecretaris van Europese Zaken de milde euroscepsis van Nederland met verve uit. Vrij Nederland volgde Timmermans een aantal maanden en zag hoe hij schippert tussen Europa, Den Haag, zijn eigen overtuigingen en het Nederlands belang. Portret van een welbespraakte marktkoopman.

Door

Thijs Niemantsverdriet namens Vrij Nederland

Eigenbelang nastreven in Europa, zegt Frans Timmermans, is net als seks in vroeger tijden. Je spreekt er niet over, want dat is niet netjes, maar ondertussen doe je het gewoon lekker wel. ‘Vroeger heerste er een taboe op het onderwerp seks. Maar je gaat me toch niet vertellen dat mijn grootouders er niet aan deden? Zo is het ook met de Europese Unie. Natuurlijk hebben de Nederlandse belangen altijd voorop gestaan in Brussel, maar dat zeiden we nooit hardop.’

Het Nederlandse belang nastreven in Euro­pa, dat is wat Frans Timmermans de afgelopen maanden stevig heeft gedaan. Afgelopen februari trad hij aan als staatssecretaris van Europese Zaken in het vierde kabinet-Bal­ken­ende. Vrijwel meteen daarna werd duidelijk dat Europa een serieuze poging ging doen tot reanimatie van de Europese Grondwet. Dat verdrag lag in een diepe coma sinds het in 2005 was weggestemd bij referenda in Ne­der­land en Frank­rijk. Maar nu besloot de Duit­se bondskanselier Angela Merkel, halfjaarlijks voorzitter van de EU, dat het tijd was voor een nieuwe overeenkomst.

Timmermans moest meteen aan de bak. Sinds maart heeft hij bijna alle hoofdsteden van de Unie bezocht. Hij ging naar Ma­drid, Ro­me, Berlijn, Parijs, Lissabon, Kopenha­gen, Brus­sel, Praag, War­schau, Luxemburg, We­nen, Boe­da­pest en Londen. Voor speeches, werkbezoeken en ontmoetingen met collega’s. Zijn doel: uitleggen waarom Neder­land twee jaar geleden in ’s hemelsnaam de Grond­wet wegstemde. En duidelijk maken wat deze keer de Nederlandse inzet was: een verdrag dat ‘qua naam, omvang en inhoud verschilt van de Grondwet’, zoals hij voortdurend herhaalde.

Timmermans is een man die je om een boodschap kunt sturen. Met zijn kleine, stevige postuur en waakzame hoofd heeft hij het voorkomen van een marktkoopman. Hij brengt de dingen met bravoure, soms op het pedante af, en laat zich niet snel van de wijs brengen. Hij praat graag over zijn roomse afkomst en zijn stamkroeg in Heer­len. Als geboren Limburger gebruikt hij vaak wielermetaforen. Zo is het staatssecretariaat voor hem ‘een fiets die ik te leen heb gekregen van de Nederlandse bevolking, met de opdracht zoveel mogelijk koersen te winnen’.

De afgelopen maanden moest hij al zijn verbale vermogens aanwenden: hij dreigde voortdurend in spagaten te belanden. Tussen grondwetminnende EU-lidstaten en een Tweede Kamer die, aangevoerd door SP en PVV, behoorlijk sceptisch staat tegenover een nieuw verdrag. Tussen zijn eigen pro-Eu­ro­pe­se neigingen en een met flink wat euro­scepsis gekruid regeerakkoord. Dat allemaal namens een partij – de PvdA – waarvan het electoraat hopeloos verdeeld is over Europa, en een land – Nederland – dat zich nog altijd graag te goed doet aan Brussel-bashen. Hoe brengt Frans Timmermans al die verschillende opvattingen in vredesnaam bij elkaar?

Passie

‘Die cappuccino hier is niet te drinken. Laten we er straks aan boord maar eentje nemen.’ Op een morgen in mei zit Frans Tim­mer­mans in alle vroegte in de VIP-lounge van Rot­ter­dam Airport, in een blauw pak en een wit overhemd met manchetknopen van AS Ro­ma, zijn favoriete voetbalclub. Zo meteen gaat hij met zijn staf aan boord van een achtpersoonsvliegtuig. Reis­doel: Berlijn. Programma: bezoek aan de Ne­der­land­se ambassadeur, gesprek met de Duit­se minister van Europese Zaken, lunch met een prominent sociaal-democratisch Bonds­dag­lid. Maar bovenal: een lezing op de Humboldt Universiteit. Het is precies een maand voor de EU-top over de toekomst van de Grondwet.

Twee uur later zitten we op het dakterras van de Nederlandse ambassade in Berlijn. Vier medewerkers van Timmermans nemen de lezing die hij heeft geschreven voor de laatste keer door. ‘Hier moet nog iets tussen,’ zegt zijn persoonlijk secretaris tegen de speechwriter. Hij heeft zojuist de feedback ontvangen van het ministerie van Algemene Zaken: bij een gevoelige kwestie als de Grondwet houdt premier Balkenende graag vinger aan de pols. ‘Er staat: “Europa heeft passie nodig.” Dat is waar, maar Timmermans moet ook zeggen dat Europa wel degelijk succesvol is geweest. Anders is het te negatief.’ Uiteindelijk wordt besloten om twee zinnetjes toe te voegen: ‘Europa heeft veel bereikt met zijn projecten. Ik wil dat niet ontkennen.’

De letterenfaculteit van de Humboldt Univer­si­teit ligt in het hart van Berlijn, aan Unter den Linden. Een spreuk van Karl Marx in het trapportaal herinnert aan het DDR-verleden: ‘De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd. Het gaat er echter om haar te veranderen.’ In een redelijk gevulde aula zegt Timmermans wat hij al weken overal in Europa verkondigt: Ne­der­land heeft een constructieve houding, maar er moet een nieuw verdrag komen met substantiële veranderingen. Hij haalt Willy Brandt aan, cineast Wim Wenders en zanger Herbert Grönemeyer, en dan legt hij de Ne­der­land­se wensen op tafel. Eén: het verdrag mag geen Grond­wet heten, en alle ‘constitutionele’ verwijzingen (vlag, volkslied) dienen geschrapt, inclusief het Europese Hand­vest van Grond­rechten. Twee: de rol van nationale parlementen dient te worden versterkt. Drie: klimaatbeheersing en energiesolidariteit worden gemeenschappelijke taakstellingen. Vier: Brus­sel mag zich straks niet meer mengen in de publieke diensten van de lidstaten (woningcorporaties, gezondheidszorg, pensioenfondsen). Vijf: de voorwaarden voor toetreding tot de Unie, de zogenaamde Ko­pen­ha­gen-criteria, moeten expliciet worden opgenomen in het verdrag.

‘Europa heeft veel bereikt met zijn projecten. Ik wil dat niet ontkennen,’ besluit hij zijn speech. ‘Europa heeft passie nodig.’

Grofvuil

Het is even wennen, scherpe woorden over Europa uit de mond van Frans Timmermans (Maas­tricht, 1961). Zijn hele carrière al is Brus­sel voor hem een vanzelfsprekendheid. Zeven jaar werkte hij als diplomaat (onder meer op de Nederlandse ambassade in Moskou), twee jaar was hij medewerker van eurocommissaris Hans van den Broek in Brussel, en drie jaar de rechterhand van oud-minister Max van der Stoel bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Altijd hard gewerkt en veel van huis – zo veel zelfs dat het hem zijn eerste huwelijk kostte.

In 1998 werd hij Tweede Kamer­lid voor de PvdA. Hij kreeg het woordvoerderschap van Europese Zaken. Niet bepaald een sexy onderwerp in die tijd, bij kiezers noch collega-politici. ‘Je was een schlemiel als je in de Kamer Europa deed,’ zegt hij. ‘De EU was zoiets als het weer: het is goed of slecht, maar je kunt er toch niets aan doen.’

Toch kweet hij zich vol overgave van zijn taak. Jaren trachtte hij de Nederlanders warm te masseren voor Europa. Hij ging het land in, hield spreekbeurten en ontving de burgers thuis in Heerlen. Als beloning voor zijn ijver werd hij in 2002 door Neder­land afgevaardigd naar de Europese Con­ven­tie om mee te schrijven aan de Grond­wet. Manmoedig probeerde hij de Haagse politiek erbij te betrekken. ‘Er waren precies twee Tweede Kamerleden en vijf Eerste Kamerleden in geïnteresseerd, verder helemaal niemand.’

En toen kwam het referendum. Op 1 juni 2005 serveerde de Nederlandse bevolking de Grond­wet met grote overmacht af. Het luide ‘nee’ (62 procent stemde tegen) was een gigantische dreun voor Frans Timmermans, nota bene een van de initiatiefnemers van de volksraadpleging. In één klap werd alles waar hij zich al die jaren voor had ingezet bij het grofvuil gezet. Erger nog, zijn collega-politici wisten niet hoe snel ze van mening moesten veranderen. ‘Het was verbijsterend om te zien hoe de politieke elite op de avond van het “nee” ineens zei: ach, eigenlijk was die hele Grond­wet ook niets. Terwijl ze er eerst vol overtuiging campagne voor hadden gevoerd! Ze deden het allemaal: Balkenende, Bos, Van Aartsen en vooral minister Bot. Ik was daar ontzettend boos over.’

Die zomer ging hij door een ‘heel diep dal’. Doodziek was hij van Europa. Het enige wat hij deed, was fietsen. Weken achtereen zat hij in de heuvels nabij Heerlen op zijn racefiets. ‘Soms deed ik wel honderd kilometer per dag. Ik kon me nergens anders meer toe zetten.’ In oktober 2005 verscheen een rapport waarin zijn partij, de PvdA, zichzelf een nieuwe, mild-sceptische houding aanmat tegenover de EU. Auteur: Adri Duivesteijn, collega-Kamerlid. Timmermans, dé Europa-man van de PvdA, was er niet bij betrokken geweest. Overwoog hij uit de politiek te stappen? ‘Ja,’ zegt hij nu, ‘het speelde door mijn hoofd. Dat is wel het minste dat je kunt zeggen’.

Eurorealist

Het duurde een hele tijd voordat hij er weer bovenop was. Na de boosheid volgde een fase van ontkenning, en vervolgens van zelfanalyse. ‘Pas maanden na het referendum kwam ik tot de ontdekking dat er niets mis was met de kiezers, maar met Europa. Nederlanders tonen een allergische reactie. Als ze het woord “EU” horen, roepen ze: deugt niet! Dat moet ergens aan liggen.’ Hij kwam ongeveer tot de volgende conclusie: 1989, het einde van het communisme, was zowel het grootste succes van het verenigd Europa, als haar grootste probleem. ‘Door het einde van de Europese deling en de toetreding van nieuwe lidstaten is de plaats van Nederland in de EU en de wereld veranderd. We zijn onze vertrouwde plechtankers kwijt. Dat geeft onzekerheid, en dan komen er eurosceptische tendensen bovendrijven. Dat heb ik jaren onderschat.’

Geholpen door een fikse dosis politieke realiteitszin (en de benoeming tot staats­secretaris) vond Tim­mermans zichzelf opnieuw uit. Weg was het onvoorwaardelijke geloof in Europa, vanaf nu was hij eu­ro­re­a­list. Sindsdien zegt hij dat Ne­derlanders bang zijn dat de EU hun culturele identiteit aantast. Dat ze hun onlustgevoelens over de glo­ba­lisering en immigratie projecteren op Euro­pa. En bovenal: dat Brussel een symbool is geworden voor iets wat niet in de hand te houden is. Dat laatste punt illustreert hij graag met beeldspraak. De Nederlanders, zegt hij, zijn Brus­sel gaan zien als een octopus met grijpgrage handen. Of als een rondreizend circus. Het liefst gebruikt hij de metafoor van de trein. Dan zegt hij: ‘Nederlanders zien de EU als een op hol geslagen trein, zonder machinist.’ Soms, als zijn gehoor wat erudieter is dan gemiddeld, volgt er nog een semantische uitleg over de betekenis van het woord ‘grondwet’.

Die meimiddag op de Humboldt Universi­teit in Berlijn is het publiek zeker erudiet. Prof. Dr. jur. Ingolf Pernice, zijn hooggeleerde gastheer, ondervraagt Timmermans na afloop van zijn lezing. ‘Waarom wilt u toch per se van de naam grondwet af?’ zegt hij. ‘Nie­mand in Eu­ropa wil toch een superstaat? En de eerdere verdragen vormen toch ook al een soort grondwet?’ Timmermans zegt: ‘Het gaat ook om de taal. In het Duits zijn er twee woorden voor grondwet: ‘Grund­ge­setz’ en ‘Ver­fassung’. Het Nederlands kent maar één woord, en dat heeft een heel duidelijke betekenis. Het wordt geassocieerd met wetten, met autoriteit. Mensen denken: Brus­sel schaft straks onze eigen grondwet af, en als we niet uitkijken moet onze koningin ook nog weg.’

Confituur

Toen Timmermans zes jaar oud was, zat hij op de gemeentelijke basisschool in Sint Stevens-Woluwe, vlak bij Brussel. Op een dag moest hij naar het klaslokaal van meester Bosmans, het schoolhoofd. ‘Ha Frans,’ zei Bosmans met zijn vette Vlaamse accent. ‘Wat heeft gij vanochtend op uwen boterham gegeten?’

‘Jam,’ antwoordde Frans.

De hele klas bulderde van het lachen, inclusief meester Bosmans zelf. ‘Ah, gij bedoelt natuurlijk confituur.’

Een groot deel van zijn jeugd woonde Tim­mer­mans in het buitenland. Zijn vader, oorspronkelijk marechaussee te Maastricht, nam een baan als administratief ambtenaar bij Bui­tenlandse Zaken en werd naar verschillende Europese steden gedetacheerd. Vóór Brus­sel woonde het gezin in Parijs, en zijn middelbareschooltijd bracht Timmermans door in Rome (vandaar de manchetknopen). Eén ding was tijdens zijn Europese jeugdjaren van wezensbelang: je zo snel mogelijk aanpassen aan de omstandigheden, vooral qua taalgebruik. ‘In het buitenland letten ze heel erg op wat je zegt en hoe je het zegt. Dus leer je zo te praten dat het niemand meer opvalt hoe je dingen zegt.’ Die ‘jam’ was eens en nooit meer. Tot op de dag van vandaag, zegt Tim­mer­mans, kan hij niet met een Vlaming spreken zonder bijna Vlaams te gaan praten. Daarnaast spreekt hij vloeiend Engels en Frans, accentloos Duits en Italiaans, kent hij Rus­sisch en kan hij zich redden in het Spaans. ‘Als je goede diplomatie wilt bedrijven, moet je alle ruis uit de communicatie halen. Ruis ontstaat wanneer je niet goed verstaanbaar bent, of woorden gebruikt die mensen gek vinden. Dat creëert afstand. Je moet je verplaatsen in je gesprekspartner.’

Anderhalve week na zijn Berlijnse rede krijgt hij daartoe de gelegenheid. FNV-voorzitter Ag­nes Jon­ge­rius komt langs op het ministerie, met twee vakbondsvrouwen. Het gesprek gaat al gauw over punt één van het Ne­der­land­se eisenpakket: het schrappen van het Europese Handvest van Grond­rechten. Daar is Jongeri­us niet blij mee. In het Hand­vest staat een aantal garanties op het gebied van sociale wetgeving en arbeid – en die gaan op deze manier de prullenbak in. ‘Ik snap niet,’ zegt ze, ‘hoe jullie het “nee” hebben kunnen vertalen in: Europa moet zich niet bezig houden met sociaal beleid.’

‘De Nederlandse regering wil helemaal niet minder sociaal beleid,’ zegt Timmermans.

Jongerius: ‘Het lijkt wel zo. Op deze manier schoppen jullie een hoop mensen doelbewust tegen de schenen.’

‘We willen alleen maar de tekst van het Hand­vest vervangen door een verwijzingsartikel. Op die manier wordt het verdrag korter. Ju­ri­disch gezien blijft de status van het Hand­vest overeind, je moet het alleen elders lezen.’

‘Weet wat je doet.’

‘Luister, ik heb onlangs een tweetal lezingen gegeven, in Parijs en in Berlijn. Beide keren heb ik gezegd dat er zoiets bestaat als een Europees sociaal model.’

Dit is de tweede belangrijke conclusie die hij na zijn referendumcrisis trok. De sociale staat, de overlegeconomie – dat is wat Europa bindt. ‘Wat willen de meeste Europeanen? Betaalbare gezondheidszorg, ontspannen arbeidsverhoudingen, een vangnet voor als je werkloos wordt en onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is. Of je dat nou een Scan­di­na­visch model noemt, of poldermodel, of Bei­ers corporatisme – het zijn gedeelde Euro­pe­se waarden waarin we ons duidelijk onderscheiden van de Verenigde Staten en Azië.’

De EU, zegt hij, is boven alles een sociaal-economisch project. Daarom hoeven we ook niet bang te zijn dat Brussel onze culturele identiteit opslokt. Hij wil nog wel ietsje verder gaan: ‘Europa helpt de nationale identiteit zelfs te versterken.’ Maar als je hem vraagt hoe Europa dat dan doet, komt hij er niet helemaal uit. Hij zegt iets over ‘promotie van culturele contacten’ en ‘bescherming van kleine talen’. Vraag dóór, en hij komt met de stop­lap dat ‘culturele diversiteit een gegeven is dat niet onder druk moet staan van de EU’. En schakelt over op de onderschatte zegeningen van de euro en het opmerkelijk grote aantal hoofdkantoren van multinationals in Ne­der­land. In de denkwereld van Frans Tim­mer­mans is cultuur een economisch begrip.

Chantage

‘Ik hou niet zo van olie op de golven, ik ben meer van olie op het vuur.’ Het is begin juni en Timmermans zit op de achterbank van zijn dienstauto. Enkele dagen eerder is er een politieke storm opgestoken rond zijn persoon. Tijdens een lunch met journalisten heeft hij zich laten ontvallen dat Nederland zich niet opnieuw een ‘nee’ tegen Europa kan veroorloven. Een tweede afwijzing, zei hij, kan ons land buiten de EU plaatsen. De Tweede Kamer was woedend. Pure chantage, vond de oppositie. Was dit soort regenteske bangmakerij niet precies de reden dat de regering twee jaar geleden zo ongenadig op zijn donder kreeg bij het referendum?

Het laat zien in wat voor lastig parket hij zit. In Europa vinden de meeste lidstaten het Nederlandse eisenpakket nogal ver gaan, ze zijn bang dat er niets overblijft van de Grond­wet. Maar thuis, in de Tweede Kamer, vreest men juist dat hij niet genoeg aanpassingen binnensleept, dat het ‘motorblok’ van de Grond­wet gewoon intact blijft. En op die manier zou niet voldoende recht worden gedaan aan de uitslag van het referendum. Tim­mer­mans, de vertaler van het nee, zit klem tussen Europa en Neder­land. ‘Soms word ik gek van de Tweede Kamer,’ zegt hij terwijl zijn dienstwagen de snelweg verlaat. ‘Ik krijg ze maar niet over de inhoud. Met name de SP is overal tegen. De manier waarop zo’n Harry van Bom­mel oppositie voert tegen een nieuw verdrag, daar heb ik geen respect voor. Het zijn alleen maar slogans.’ Hij kijkt uit het raampje. ‘Iedereen in Neder­land kan wel zeggen: we gaan even lekker onze tanden laten zien en op de rem staan, maar dan staan we straks met niets. Is dat in het Nederlands belang?’

We bereiken onze bestemming: de studio van BNR Nieuwsradio in Amsterdam. Vanavond kruist hij de degens met eurohaters en eurofielen uit politiek, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Op de eerste rij zitten de eurosceptische usual suspects die hem bij iedere gelegenheid achterna reizen. Zoals Willem Bos, oprichter en voorzitter van het comité Een ander Europa en auteur van manifesten met titels als ‘Nee tegen deze Grondwet’ en ‘Op welke grond rust deze wet?’. ‘Als ik vanavond nou uw tekst doe, dan doet u de mijne,’ heeft Timmermans zijn kwelgeest al eens gekscherend voorgesteld.

Maar verder heeft hij vanavond niet te klagen: hij krijgt het inhoudelijke debat dat de Ka­mer hem vooralsnog misgunt. Naarmate de avond vordert, raakt hij steeds meer in zijn element. Hij praat gemakkelijk, schudt fijne oneliners uit zijn mouw – en hij weet het. Als hij een punt wil maken, zet hij een beetje galm op zijn stem en tilt hij hem een halve octaaf de hoogte in. Of hij herhaalt een woord, waarbij hij het de tweede keer uitsmeert: ‘Morrelen aan de Grondwet is voor de Span­jaar­den een enorme stap. Een e-nor-me stap.’

Het gaat over het milieu. ‘Sommige mensen,’ zegt hij, ‘vinden dat milieuwetgeving een nationale aangelegenheid is. Maar zo werkt dat niet. Stel, we verbieden in Neder­land de gloeilamp. Dan gaat iedereen gewoon bij Enschede en Heerlen de grens over om gloeilampen te kopen. Goed, je behoudt je nationale soevereiniteit. Maar wat stelt die dan nog voor?’ Dit punt keert telkens terug in Timmermans’ betoog: méér EU betekent niet automatisch minder nationale soevereiniteit, of omgekeerd. ‘We moeten afleren om te denken in termen van concurrentie tussen Europa en de lidstaten. Brussel en Den Haag zijn niet per se communicerende vaten.’ Een mooie gedachte, en hij is ook waar als het over gloeilampen gaat, of over vennootschapsbelasting. Maar hoe zit het met de arbowetgeving, en voedselrichtlijnen? Daar haalt Brussel wel degelijk bevoegdheden weg uit de hoofdsteden. ‘Altijd als je mensen vraagt naar Europa,’ verzucht hij na twee uur verhit debatteren, ‘komen ze met negatieve dingen. Brus­sel­se bureaucratie. Prijsstijgingen door de euro. De uitbreiding met Turkije.’

Eén ding is duidelijk: onder het laagje eurosceptisch vernis dat Frans Timmermans twee jaar geleden bij zichzelf heeft aangebracht, gaat nog altijd een gepassioneerd Europeaan schuil. En die komt tevoorschijn als het hard tegen hard gaat. ‘Het draait straks bij de top om de toekomst van Nederland in Europa,’ riposteert hij een eurocriticus uit het publiek. ‘Niet om de reglementen van Hengelsportvereniging De Edelkarper.’

Opgewonden regeringsleiders

Half juli zit Frans Timmermans te glimmen van trots op zijn werkkamer op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij is bijzonder in zijn nopjes met de uitkomst van de Europe­se Raad in Brussel, drie weken eerder. Er is een akkoord, en het ziet er bijna zo uit als Ne­der­land van tevoren wilde. Goed, het echte verdrag moet nog geschreven worden en de Po­len hebben al weer aangekondigd dat ze verder willen onderhandelen, maar daar gaat Eu­ropa natuurlijk niet aan beginnen.

Stapsgewijs loopt Timmermans het Neder­land­se eisenpakket door. Verwijzingen naar de Grond­wet? Geschrapt, inclusief het Hand­vest van Grond­rech­ten. Paragraaf over ener­gie­solidariteit? Binnengehaald. Diensten van nationaal belang? Min of meer vrijgesteld van Brusselse regelgeving. De zaken die Neder­land niet voor elkaar heeft gekregen – want die zijn er ook – worden door Tim­mer­mans netjes gerelativeerd. Nee, de Kopen­hagen-criteria voor nieuwe lidstaten staan niet expliciet in het verdrag, ze hebben ‘een iets andere vorm’ gekregen. En de nationale parlementen zijn weliswaar minder opgespekt dan gewenst, maar ‘met een tussenstap’ is eigenlijk precies bewerkstelligd wat Nederland beoogde.

Makkelijk ging het allemaal niet in Brussel. Timmermans’ eerste grote eurotop was meteen ook de langste en uitputtendste in jaren. Op donderdagmiddag hadden de Nederlanders hun intrek genomen in het gebouw van de Europese Raad in Brussel. Ze waren met een man of twintig: premier Balkenende, minister van Buitenlandse Zaken Verhagen, Timmer­mans zelf, hun adviseurs en woordvoerders, en een tiental diplomaten en ambtenaren uit Den Haag.

De officiële onderhandelingen vonden plaats in de vergaderzaal op de vijfde verdieping. Die beraadslagingen waren alleen toegankelijk voor de regeringsleiders, dus moest Timmermans op een andere manier op de hoogte zien te blijven. ‘Als je handig manoeuvreerde, kon je in de buurt van de zaaldeur komen. En als ze dan zagen dat je minister was, mocht je daar wel blijven staan.’ Het was er een komen en gaan van opgewonden regeringsleiders – zeker naarmate de gesprekken langer duurden. In de aanpalende koffiebar vonden heftige discussies plaats. Diep in de vrijdagnacht, tegen het krieken van de ochtend, was Timmermans er getuige van hoe de Franse president Sarkozy, getooid met een grote sigaar, de Belgische premier Verhofstadt onder handen nam.

Dat was de vijfde verdieping. Twee verdiepingen hoger, op de zevende, werd minstens even belangwekkend werk verricht. Daar bevonden zich, gegroepeerd rond een groot atrium, de delegatiekamers van alle EU-lidstaten. Langs de balustrade van het atrium was het een drukte van belang: bewindslieden, ambtenaren en spindoctors schepten een luchtje of rookten een sigaret. Ondertussen vonden er voortdurend bilateraaltjes plaats. Balkenende die even met de Engelse premier Blair ging praten. Timmermans die ook met Blair sprak. Minister Verhagen die zijn Spaanse collega aanschoot. Timmermans die de Deense premier Rasmussen nog even terzijde nam. ‘Ik had een vrije rol,’ zegt Tim­mermans. ‘Ik tastte af hoe de verhoudingen lagen, en bracht dat weer over aan de premier en de minister.’

Kreeg hij opdrachten van de premier?

Timmermans kijkt de verslaggever aan met een mengeling van onzekerheid en verbijstering. ‘Opdrachten? Nee joh, zo werkt dat toch niet! We bespraken onze strategie en maakten dan onderling afspraken. Dat zijn geen opdrachten!’

Op zaterdagochtend om half zes was er een akkoord. Nog even dreigde het mis te gaan toen premier Verhofstadt een enorme woedeuitbarsting kreeg over de opstelling van Nederland, maar na een interventie van wederom Sarkozy bond hij in. Om zes uur hielden Balkenende, Verhagen en Timmermans hun persconferentie. Timmermans ging naar zijn hotel om te douchen, waarna hij om zeven uur zijn eerste interview had. ’s Avonds zat hij in het voetbalstadion van FC Groningen, bij de finale van het EK onder 21. Nederland won, 4-1.

‘De afgelopen maanden,’ zegt hij in zijn Haagse werkkamer, ‘is het gegaan zoals het in Europa wel vaker gaat. Ineens ontstond er een breed gedragen gevoel van: hé, we moeten er nú uitkomen. De Duitsers kondigden aan dat ze er werk van wilden maken. Sarkozy werd tot president gekozen en wilde meteen daadkracht tonen. En Blair wilde vlak voor zijn afscheid geen crisis veroorzaken.’ Eigenlijk, zegt Frans Timmermans, is onderhandelen in de EU zoiets als koken. ‘Je staat te roeren en je denkt: het wordt niets. En dan ineens, hup, is de saus gebonden.’

Poolse loodgieters

In Europa heeft Nederland voorlopig weer even krediet. Maar hoe zit het intussen met de binnenlandse steun voor Brussel? Binnenkort besluit het kabinet, na advies van de Raad van State, over een tweede Europa-referendum. Een beetje enthousiasme van de bevolking zou goed van pas komen.

Op een doordeweekse namiddag in augustus zit Timmermans, vers terug van vakantie, in een studio in Amsterdam-West. Hij is te gast bij ‘De peiling’, een programma van Radio Noord-Holland waar luisteraars hun hart kunnen luchten. Een uur lang wordt Timmermans bedolven onder een verbijsterende lawine aan eurochagrijn. De ene beller klaagt over Poolse loodgieters. De ander maakt zich kwaad over de maandelijkse verhuizing naar Straatsburg. Een derde stelt voor om in Nederland opnieuw grensbewaking in te voeren, ‘met goedbewapende militairen, zoals bij de grens met Servië’. Vrijwel allemaal voelen ze zich belazerd door de euro en willen ze de gulden terug. ‘Wanneer gaan je ogen eens open, man?’ gilt een beller tegen de staatssecretaris.

Timmermans luistert geduldig, zijn handen voor zich op tafel gevouwen, en dient de boze burgers van repliek. Na afloop in de foyer is er op zijn gezicht weinig meer te bespeuren van de Brusselse euforie van anderhalve maand geleden. ‘Ik neem de zorgen van de mensen serieus, maar zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Na de top was de stemming over Europa even leuk, maar nu staan de mensen blijkbaar weer in hun normale stand.’ Hij zet gang richting zijn dienstauto. ‘Soms,’ zegt hij, ‘voel ik me een beetje Staatssecretaris van Chagrijn.’

 

Zwager van alle Turken

Joost Lagendijk, europarlementariër voor GroenLinks, is een volksheld in Turkije. Vorig jaar trouwde hij met de tv-journaliste Nevin Sungur. Rondom de parlements­verkiezingen reisde Vrij Nederland met het echtpaar naar Turkije. ‘Turken zijn overgevoelig.’ ‘Ik zou eerder zeggen dat we emotioneel zijn.’

Door

Thijs Niemantsverdriet namens Vrij Nederland

‘Dag meneer, hoe is het met u?’ De potige beveiligingsman bij de ingang van het Hilton Hotel in Istanboel begint aan alle kanten te stralen zodra hij Joost Lagendijk ziet. Hij stapt naar voren om hem uitbundig de hand te schudden. Als Lagendijk onder het detectiepoortje doorloopt, weerklinkt een schelle pieptoon. Maar daar slaat de bewaker geen acht op, zo verrukt is hij met zijn gast. ‘Dank u wel voor uw komst!’ roept hij terwijl Lagendijk pas zet richting de lobby. ‘En komt u alstublieft gauw nog eens!’

In Nederland weet het grote publiek niet wie Joost Lagendijk is. Maar drieduizend kilometer verderop, in Turkije, geniet hij het aanzien van een rockster. Wildvreemden op straat stoppen voor een hartelijke begroeting. Kelners informeren naar zijn welzijn en zeggen bij vertrek: ‘Pas goed op uzelf.’ Legerofficieren bevelen hun mannen om hem ongehinderd langs controleposten te loodsen. En bij een wedstrijd van Istanboels lokale voetbalclub Besiktas komen zelfs rauwdouwerige supporters naar Lagendijk toe om hem beleefd de hand te schudden.

Waar heeft een voormalige pacifist en uitgever van marxistische literatuur uit Roosendaal dit allemaal aan te danken? In de eerste plaats aan Europa. Lagendijk is lid van het Europees Parlement voor GroenLinks en voorzitter van de Turkije-delegatie. In die hoedanigheid groeide hij in de afgelopen vijf jaar uit tot de vleesgeworden hoop op EU-lidmaatschap. Voor de Turken is Joost Lagendijk ‘Mr. Europa’ – de man die er hoogstpersoonlijk voor gaat zorgen dat hun land straks lid mag worden van de EU. En er is nog iets. Vorig jaar oktober trouwde Lagendijk met de bekende Turkse tv-journaliste Nevin Sungur. De beelden van hun bruiloft gingen het hele land door. Sindsdien hebben de Turken hem definitief in hun hart gesloten. ‘Milli damat’ noemen ze hem, nationale schoonzoon. Of, liefkozend: ‘eniste’, zwager.

Joost Lagendijk is een echte accidental hero, en zo ziet hij er ook uit. Hij is lang en stevig, met een vriendelijk gezicht en een uitbundig stel flaporen. De vele Turkse loftuitingen ondergaat hij met een mengeling van vermaak en achteloosheid. Natuurlijk vindt hij het leuk om wereldberoemd te zijn aan de Bosporus, zegt hij terwijl hij met ferme tred door de straatjes van Istanboel wandelt. Maar het belangrijkste is dat hij ervoor zorgt dat Turkije en Europa straks een gelukkig huwelijk sluiten, net zoals hij en Nevin. ‘Ik voel een verantwoordelijkheid, een loyaliteit tegenover de mensen hier. Natuurlijk moet Europa er ook beter van worden. Maar ik heb heel sterk het gevoel dat ik de Turken niet kan laten zitten.’

Twistpunt

Brussel, anderhalve week eerder. Een wooncomplex waar de hoofdstad van Europa er vele van telt: rustige straat, tikje deftig, weinig uitstraling. Joost Lagendijk en Nevin Sungur bewonen een ruim appartement op de tweede etage, waarvan de kamers in warme, mediterrane kleuren zijn geschilderd. Op de vloer liggen tapijten, de vensterbank wordt gesierd door Turkse kruiken en er sluipt een langharige Anatolische kat rond.

‘Ik vind het wel fijn dat we hier in Brussel anoniem zijn,’ zegt Nevin Sungur terwijl ze kopjes Turkse thee op tafel zet. ‘Onze buren weten niet eens wie we zijn.’ Een jaar geleden verruilde Sungur haar baan als oorlogsverslaggever in Irak, Afghanistan en de Palestijnse gebieden voor een correspondentschap in Brussel om bij haar echtgenoot te kunnen zijn. Ze is donker en tenger, komt energiek over en kan fel uit de hoek komen. Bijvoorbeeld als haar echtgenoot beweert dat Turkije écht niet zonder de Europese Unie kan. ‘Waarom niet?’ vraagt ze dan, terwijl haar ogen vuur schieten. Maar twintig seconden later klinkt er alweer een daverende lach. De hele dag door praten Lagendijk en Sungur met elkaar over de toekomst van Turkije, Europa en de wereld in het algemeen. Soms zijn ze het eens, vaak ook niet. Het belangrijkste twistpunt tussen de twee echtelieden: premier Erdogan en zijn Welvaarts- en Ontwikkelingspartij (AKP), die twee weken geleden met bijna 47 procent van de stemmen herkozen is voor een tweede regeringstermijn. Lagendijk ziet de AKP als een gematigde, islamitische volkspartij die de scheiding van kerk en staat respecteert – een soort Turks CDA eigenlijk. Maar Sungur is sceptisch. ‘Ik vind dat Joost een beetje naïef is over de AKP. Wie zegt dat Erdogan geen verborgen islamistische agenda heeft? Als vrouw heb ik in Turkije een hoop te verliezen.’

Ze ontmoetten elkaar bij de rechtszaak tegen Orhan Pamuk. Anderhalf jaar geleden moest de schrijver en Nobelprijswinnaar in Istanboel voor de rechter verschijnen, omdat hij volgens een gezelschap vaderlandslievende advocaten de Turkse staat zou hebben beledigd. Lagendijk zat in de zaal – als vertegenwoordiger van de EU, maar ook uit solidariteit met zijn belegerde vriend. Sungur was er als verslaggeefster voor de tv-zender NTV. ‘De zitting draaide op niets uit,’ vertelt Lagendijk. ‘Na wat heen en weer geschreeuw werd de zaak geseponeerd.’ ’s Avonds gaf Pamuk een feestje voor vrienden en journalisten, om te vieren dat hij vrijuit was gegaan. Daar spraken Lagendijk en Sungur elkaar voor het eerst. ‘Sindsdien zegt Pamuk tegen iedereen die het maar wil horen dat zijn proces in ieder geval één positief ding heeft opgeleverd: Nevin en ik zijn verliefd op elkaar geworden.’

De eerste maanden wisten Lagendijk en Sungur hun verhouding geheim te houden voor de media. ‘We hingen het niet aan de grote klok, maar hadden ons voorgenomen om niet te gaan liegen. Als iemand ernaar zou vragen, zouden we eerlijk antwoorden.’ In april 2006 kwam het moment. Lagendijk werd geïnterviewd door de Turkse krant Vatan. Een routinegesprek, over een wet die op dat moment werd bediscussieerd in het Turkse parlement. Maar aan het eind van het interview stelde de journaliste haar Colombo-vraag: had Lagendijk wel eens een Turkse vriendin gehad? Nee, antwoordde hij, in het verleden niet. ‘Maar nu wel, zei ik. En ik vertelde haar over Nevin.’ De volgende ochtend stond het in chocoladeletters op de voorpagina van Vatan: ‘Liefde van het jaar!’

Er volgde een klopjacht door de Turkse media waar Paris Hilton u tegen zou zeggen. De pers smulde: eindelijk goed nieuws uit Europa! De onderhandelingen met de EU, die in december 2004 nog voor grote euforie hadden gezorgd, waren in een impasse geraakt. Veel Turken hadden het gevoel dat Europa bij nader inzien geen trek in ze had. En toen werd ‘Mr Europe’ verliefd op een Turkse vrouw. Beter kon niet. Geen wonder dat de krant Star bij het bekend worden van hun verloving kopte: ‘Zwager, breng ons Europa in!’

Atatürk en Allah

Het Istanbul Museum of Modern Art is gevestigd in een voormalige havenloods langs de kade van de Bosporus. Vanaf het terras van het café is het uitzicht magnifiek. Overal op het water zijn veerponten, onderweg naar het Aziatische deel van Istanboel. In de verte glinsteren de daken van het Topkapi-paleis, de voormalige residentie van de Ottomaanse sultans.

Na een korte wandeling door de steile straatjes van de wijk Cihangir zijn Joost Lagendijk en Nevin Sungur neergestreken aan een tafeltje. Ze vallen op temidden van de Turken: Lagendijk draagt een wit linnen pak en een roze overhemd, Sungur een kittig rood jurkje met hakken. De bedrijfsleider heeft het stel zojuist hartelijk verwelkomd. Niet zonder reden: driekwart jaar geleden vierden Lagendijk en Sungur hier, op dit terras, hun huwelijksfeest.

Op 28 oktober 2006 trouwden ze. De huwelijksvoltrekking vond plaats in Pera Palas, een majestueus negentiende-eeuws hotel waar Agatha Christie ooit haar Moord op de Orient Express schreef. De burgemeester in hoogsteigen persoon fungeerde als trouwambtenaar. Er waren vijfhonderd gasten, onder wie bekende Turkse schrijvers als Elif Shafak en Yasar Kemal, tv-anchorman Mehmet Ali Birand, en enkele parlementsleden. Orhan Pamuk, de aanstichter van het geheel, kon helaas niet komen. Ook minister van Buitenlandse Zaken Abdullah Gül was verhinderd, maar hij stuurde wel een knoeperd van een huwelijksboeket. De hoeveelheid journalisten overtrof alle verwachtingen. Twintig cameraploegen, zestig fotografen en even zoveel verslaggevers moesten door een peloton ordebewakers in het gareel worden gehouden. ‘Het lijkt wel of Madonna in Istanboel is gearriveerd,’ verzuchtte Lagendijks woordvoerder wanhopig.

‘Soms,’ zegt Nevin Sungur terwijl ze uitkijkt over de Bosporus en een slok neemt van haar Efes-pils, ‘word ik verdrietig als ik aan Turkije denk. Mijn land heeft zoveel potentie. Maar alle energie wordt opgeslokt door onderlinge twisten.’ Sungur doelt op de roerige tijd die Turkije de afgelopen maanden doormaakte. Het begon allemaal in april van dit jaar, toen het parlement een nieuwe president moest kiezen en premier Erdogan zijn partijgenoot Abdullah Gül naar voren schoof. De oppositie en het leger waren laaiend. Gül is net als Erdogan een diepgelovige moslim wiens vrouw een hoofddoek draagt. Hij kandidaat voor het hoogste staatsambt? Dat was een regelrechte aanval op de seculiere republiek van Kemal Atatürk, waarvan leger en oppositie de zelfbenoemde hoeders zijn. Miljoenen mensen werden gemobiliseerd om de straat op te gaan. Op de late avond van 27 april verscheen er bovendien een memorandum op de website van de Turkse strijdkrachten. De boodschap was duidelijk: als Güls presidentschap werd doorgezet, zouden de militairen wellicht moeten ingrijpen. Na deze ‘e-coup’, zoals de internetmanoeuvre al snel kwam te heten, kon premier Erdogan niets anders dan vervroegde verkiezingen uitschrijven.

‘Voor buitenstaanders lijkt Turkije verdeeld tussen islamisten en secularisten,’ verzucht Nevin Sungur. ‘Maar die polarisatie is grotendeels kunstmatig. De loyaliteiten van Turken liggen veel ingewikkelder.’ Neem alleen al haarzelf. Ze is een vat vol ogenschijnlijk tegenstri jdige identiteiten. Een seculiere vrouw die vindt dat haar gelovige seksegenoten makkelijker een hoofddoek moeten kunnen dragen, mits het geen politiek statement is. Een aanhangster van de seculiere republiek, die niets op heeft met de hardliners die haar te vuur en te zwaard verdedigen. En een in het buitenland woonachtige kosmopoliet die zielsveel van haar geboorteland houdt.

Sungur groeide op in Yalova, een provinciestadje aan de Zee van Marmara, veertig kilometer ten zuiden van Istanboel. Haar vader, een self-made man die opklom van schoenmaker via juwelier tot loco-burgemeester van de stad, is een echte secularist. Zijn werkplaats en kantoor werden gesierd door een fier portret van Atatürk. ‘Maar mijn moeder is een gelovig mens. Ze bidt vijf keer per dag en draagt meestal een hoofddoek.’ De ouders van Sungur hebben een modus vivendi gevonden voor hun verschil in levensbeschouwing: ze laten elkaar met rust. Een agreement to disagree, zij het op voorwaarden van vader Sungur. ‘Zolang mijn moeder niet te vaak naar de moskee gaat en niet te opzichtig bidt, respecteert hij haar geloof. Dus doet mijn moeder sommige religieuze dingen in het geheim.’

Atatürk en Allah op één kussen, zonder dat de duivel ertussen komt. Het kan in Turkije, wil Nevin Sungur maar zeggen. ‘Er zijn talloos veel families als de mijne. Daarom is die strijd van de afgelopen maanden voor mij ook zo moeilijk te accepteren. In mijn jeugd gingen we allemaal heel ontspannen om met de islam. Mijn zussen en ik droegen geen hoofddoek, maar we gingen wel iedere week naar de koranschool. We vonden het leuk om Arabisch te lezen en alle verhalen te horen. Onder onze rokken droegen we dan zwemkleding. Als de les afgelopen was, gingen we de rest van de middag naar het strand.’

Islamistische agenda

Een paar kilometer stroomopwaarts van Istanbul Modern ligt het Hilton Hotel. Op het terras – uiteraard met uitzicht over de Bosporus – zit Joost Lagendijk te praten met Cengiz Candar, een man van middelbare leeftijd met een hese stem, weelderige grijze haardos en dito snor. Candar is, op zijn zachtst gezegd, een man met een kleurrijk verleden. Als maoïstische oproerkraaier vertrok hij na de militaire coup van 1970 in ballingschap naar de Palestijnse gebieden en sloot zich aan bij de PLO van Yasser Arafat. Tegenwoordig is hij een invloedrijke columnist bij diverse kranten en onderhoudt hij innige contacten met de AKP van premier Erdogan.

‘Wat vond je van de verkiezingsuitslag?’ vraagt Candar.

‘Ik ben zeer tevreden,’ zegt Lagendijk. ‘Goed nieuws voor Turkije en goed nieuws voor Europa.’

‘En Nevin?’

‘Die is niet zo gelukkig. Ze vertrouwt Erdogan en Gül niet.’

Candar zucht. ‘Moet je luisteren. Mijn moeder van 83 is een uitgesproken atheïst. Onlangs heeft ze haar heup gebroken. Maar ze stond erop dat ik haar naar het stembureau bracht. Weet je waarvoor? Zodat ze op Erdogan kon stemmen. En mijn vrouw. Marxist. Heeft de pest aan hoofddoekjes. Ook gecharmeerd van Erdogan!’ Wat Candar wil zeggen, is het volgende: de vrees dat de AKP stiekem een islamistische agenda heeft, is volkomen ongegrond. De afgelopen vijf jaar heeft Erdogan een modern en liberaal beleid gevoerd. Hij hervormde de economie, verbeterde de positie van vrouwen en maakte Turkije een stuk democratischer en transparanter. En hij toonde ruggengraat door de e-coup van het leger te veroordelen. Wie verkondigt dat Erdogan via de achterdeur de sharia probeert in te voeren, heeft er niets van begrepen. ‘De AKP,’ zegt Candar terwijl hij een sigaar in zijn mond stopt, ‘is een partij van het politieke midden geworden. Niet eens van rechts – nee, puur van het centrum.’

Vandaag maakt Lagendijk een rondgang langs zijn netwerk. Hij spreekt met schrijvers, journalisten, politici en zakenlui. Samen vormen ze een aardige doorsnee van de intellectuele en politieke elite van Turkije. Lagendijk wil hun gedachten horen over de verkiezingsuitslag, en zij die van hem. Stuk voor stuk, van links tot rechts, zijn ze blij met de overwinning van Erdogan. De overweldigende electorale steun geeft hem een fikse armslag in de komende confrontaties met het leger. Abdullah Gül heeft zich alweer kandidaat gesteld voor het presidentschap, en het ziet ernaar uit dat het deze keer wel gaat lukken.

Lagendijk – die zijn gebrek aan beheersing van het Turks compenseert met een lichte Anatolische tongval in zijn Engels – is het eens met zijn gesprekspartners. ‘De echte conservatieven,’ zegt hij tegen Cengiz Candar, ‘dat zijn de secularisten en het leger. Niet Erdogan en Gül.’

Grote liefde

Ooit was Joost Lagendijk een verklaard tegenstander van Turkije. Het waren de jaren tachtig, hij was internationaal secretaris van de Pacifistisch Socialistische Partij en het land had net een militaire coup achter de rug. ‘Ik had contact met Koerdische en Turkse vluchtelingen in Nederland,’ vertelt hij, ‘organiseerde vakantieboycots tegen Turkije.’ In 2002, inmiddels lid van het Europees Parlement voor GroenLinks, werd hij voorzitter van de Turkije-delegatie. Die bestaat al sinds begin jaren zestig, met enkele onderbrekingen tijdens de militaire staatsgrepen. In de jaren tachtig en negentig was het vooral een drammerig gezelschap, dat eindeloos doorzaagde over corruptie en mensenrechten. Maar vanaf 2002 begon het interessant te worden. ‘Een paar maanden na mijn aantreden won Erdogan met de AKP de verkiezingen en maakte duidelijk dat hij serieus werk ging maken van Europa. Ineens verschenen er twintig, dertig journalisten op mijn persconferenties.’

Lagendijk reisde naar Turkije, las stapels boeken en vatte een grote liefde op voor de Turken en hun land. Hij raakte ervan overtuigd dat de EU met ze in zee moest gaan. ‘Het gaat nooit lukken,’ zeiden zijn Turkse vrienden, pessimistisch als ze van nature zijn. ‘Europa wil ons toch nooit hebben.’ Maar het ongelooflijke gebeurde: in december 2004 besloten de EU-leiders om te gaan onderhandelen met Turkije. Erdogan was de held van de natie: bij thuiskomst in Ankara werd hij door een uitgelaten menigte opgewacht met vuurwerk en ballonnen. Inmiddels is de euro-euforie van de Turken danig bekoeld. De laatste anderhalf jaar werd de sfeer stevig verpest: door gesteggel over het verdeelde eiland Cyprus, door het proces tegen Orhan Pamuk, door de Europese pogingen de massamoord op de Armeniërs erkend te krijgen, en door het aantreden van een nieuwe stafchef die aanzienlijk minder warme gevoelens tegenover de EU koestert dan zijn voorganger. In 2004 was 67 procent van de Turken voor EU-toetreding, vorig jaar was dat nog maar 32. Toch heeft Lagendijk goede hoop dat Turkije weer op het rechte spoor geraakt nu de AKP een nieuw mandaat heeft. ‘Op verkiezingsavond werd ik geïnterviewd door de Turkse televisie. Toen heb ik gezegd: Erdogan heeft nu geen andere keuze dan de hervormingen voor EU-toetreding met dubbele snelheid te hervatten.’

Lagendijk en de premier spreken elkaar geregeld. In april brachten ze nog een uur door op diens werkkamer, samen met Abdullah Gül. En een tolk, want Erdogan spreekt geen Engels. Ze mogen elkaar graag. De premier maakt grapjes over Lagendijks status als ‘eniste’, en ze praten over voetbalclub Fenerbahce, waar ze allebei fanatieke supporters van zijn. ‘Tijdens zo’n gesprek geef ik aan welke hervormingen volgens Europa nog niet snel genoeg gaan. En zij leggen aan mij uit dat ze ook rekening moeten houden met de publieke opinie.’ Lagendijk heeft het gevoel dat Erdogan en Gül, net als de meeste Turken, zijn kritiek wel kunnen hebben. ‘Ze accepteren mijn opmerkingen, omdat ik voorstander ben van Turkse toetreding. Andere Europese politici hebben ook kritiek op Turkije, met name de Fransen en de Duitsers. Bij hen denken de Turken: jullie moeten ons gewoon niet. Als we aan alle kritiek tegemoet komen, bedenken jullie gewoon iets nieuws. Maar bij mij weten ze dat ik het beste voor heb met het land, dus nemen ze me serieus.’

Artikel 301

Eén onderwerp heeft Lagendijk tijdens zijn laatste sessie met Erdogan nadrukkelijk aangesneden: artikel 301. Dat beruchte strafrechtartikel verbiedt ‘publieke belediging van de Turkse identiteit’, en het heeft extremistische advocaten en aanklagers de afgelopen jaren in staat gesteld om een lange reeks kritische schrijvers, journalisten en politici voor het gerecht te dagen. In bijna alle gevallen omdat ze iets hadden gezegd over de positie van de Turkse Koerden, of over de massamoord op de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (of over allebei, zoals Orhan Pamuk).

Wie ook met het infame artikel in aanraking kwam, is Elif Shafak. We treffen de jonge schrijfster en columniste in een hotel aan het drukke Taksim-plein. Het weerzien met Lagendijk is hartelijk: sinds een jaar of twee zijn ze goed bevriend. Vorig jaar moest Shafak voor de rechter verschijnen vanwege een dialoog uit haar roman De bastaard van Istanboel. Zelf was ze niet aanwezig bij de zitting, aangezien ze twee dagen ervoor bevallen was van een dochter. Lagendijk was er wel, en dat bleef niet onopgemerkt bij de aanklagers. ‘Die nationalisten verliezen hun zelfbeheersing als ze mij zien. Ik vertegenwoordig voor hen het ergste kwaad. Ze denken dat ik erop ben om Turkije te vernederen en het land uit te verkopen aan de Koerden en de Armeniërs.’ Dus begon de zitting meteen met vuurwerk: schuimbekkend probeerden de aanklagers om de ‘koloniale commissaris’ Lagendijk uit de rechtszaal te laten verwijderen. ‘Toen dat niet lukte, wilden ze van de rechter af. Het duurde alles bij elkaar wel een uur.’

De zaak-Shafak werd, net als die van Pamuk, vrijwel meteen geseponeerd. Maar de publieke aandacht en de bedreigingen van extremisten hebben een fikse wissel getrokken op Shafak. Ze maakt een sombere en gespannen indruk. ‘Anderhalf jaar heb ik al niets meer geschreven,’ vertelt ze. ‘Ja, een column of een artikel lukt nog wel. Maar proza, dat gaat op dit moment gewoon niet. Vroeger ging mijn fantasie gewoon aan het werk, kwam het vanzelf. Maar nu denk ik voortdurend na over de consequenties van wat ik schrijf. Dat is dodelijk voor mijn spontaniteit en creativiteit.’

‘Word je eigenlijk nog bewaakt?’ vraagt Lagendijk. Shafak zwijgt, tuurt in haar glas wortelsap en perst haar lippen op elkaar. Dan knikt ze heftig van ja, terwijl ze blijft zwijgen. Ze wil er niet over praten.

Vermoord

‘Hé, er liggen geen bloemen meer,’ zegt Joost Lagendijk. ‘Ik liep er bijna voorbij.’ We staan stil voor een portiek in de wijk Sisli, aan de overzijde van de Gouden Hoorn. Een drukke winkelstraat in een welvarende buurt, met reisbureaus, eethuisjes en servieswinkels. Niets wijst meer op de tragedie die zich hier enkele maanden geleden heeft afgespeeld. Op 19 januari werd op deze plek de journalist Hrant Dink vermoord, toen hij het kantoor van zijn krant Agos wilde binnengaan. Dink was van Armeense komaf en een onvermoeibare pleitbezorger van openheid over de massamoord op de Armeniërs in 1915. Dat maakte hem niet geliefd bij nationalistische Turken. Onder artikel 301 was hij twee jaar geleden tot zes maanden voorwaardelijk veroordeeld. Zijn moordenaar: een zeventienjarige ultra-nationalist.

Dink was een goede vriend van Lagendijk en Sungur. ‘Hrant vond het fantastisch dat we gingen trouwen,’ vertelt Lagendijk. ‘Hij was zelfs een beetje beledigd dat we hem niet als eerste hadden ingelicht.’ De laatste keer ze hem zagen, was afgelopen november. Dink was in Den Haag om een prijs in ontvangst te nemen van Novib, en nam het pas getrouwde stel mee uit eten om hun huwelijk te vieren. ‘Ik herinner me dat hij er destijds een beetje zorgelijk uitzag,’ zegt Nevin Sungur. ‘Later bleek dat hij al geruime tijd werd bedreigd door extremisten. Maar hij sneed het onderwerp niet aan. Het was niet zijn stijl om over dat soort dingen te praten.’ Lagendijk: ‘Ik had niet gedacht dat hij vermoord zou worden. Hrant sprak over een omstreden onderwerp, maar zelf was hij een heel gematigde, zachtaardige persoon die niet van polariseren hield. Absoluut geen Turkse Theo van Gogh.’

Samen bezochten ze de begrafenis van Dink, vier dagen na de moord. Het was een overweldigende gebeurtenis. Er kwamen meer dan honderdduizend mensen op af – een van de grootste betogingen in Istanboel ooit. De demonstranten droegen borden met teksten als ‘We zijn allemaal Armeniërs.’ Vanaf een dubbeldekker sprak Dinks weduwe de mensenmassa toe, waarna zij en haar twee dochters een stel witte duiven loslieten. ‘Ik had gehoopt dat de moord op Hrant een keerpunt zou zijn,’ zegt Lagendijk. ‘Dat de Armeense kwestie bespreekbaar zou worden, dat ze eindelijk artikel 301 zouden afschaffen. Maar Nevin riep al meteen: vergeet het maar.’ Sungur: ‘Er zijn in Turkije zó vaak politici, journalisten en intellectuelen vermoord. Bijna nooit zijn de echte daders berecht. Ja, ze hebben nu de moordenaar gepakt, maar die jongen is natuurlijk een marionet. De opdrachtgevers zitten ergens in de derin devlet, de “diepe staat”. Niemand is daar ooit toe doorgedrongen.’ Lagendijk: ‘Ik heb met Erdogan gesproken over de moord op Hrant. Hij is er op gebrand de verantwoordelijken te vinden. Maar zelfs hij zei tegen me: ik denk niet dat ik erachter kan komen.’

Heksenjacht

Nevin Sungur was dertig jaar oud toen ze voor het eerst hoorde over de slachting van de Armeniërs in 1915. ‘Op school sprak niemand erover, het was geen issue.’ Ze vindt het goed dat er na de moord op Dink een voorzichtige discussie op gang is gekomen. Maar wie denkt dat ze gelukkig is met de druk vanuit Europa om de volkenmoord te erkennen, heeft het mis. Daarvoor houdt Sungur net iets te veel van haar land. ‘In Nederland en Frankrijk is een heksenjacht aan de gang tegen Turkije. Bijvoorbeeld het besluit vorig jaar van PvdA en CDA om die Turkse politici van hun kieslijst te schrappen. Schandalig! In Turkije was iedereen terecht woedend.’ Haar echtgenoot kan zich de irritatie over het Europese optreden levendig voorstellen. ‘Europa zegt tegen Turkije: kijk, wij weten hoe het zit, beken nou maar gewoon schuld, dan is het goed. Dat werkt gewoon niet. Dus ik begrijp best dat die Turken zeggen: we maken zelf nog wel uit of we schuldig zijn of niet.’

Lagendijk verwijst naar zijn vermoorde vriend Dink: ‘Hrant vermeed het woord “genocide” in het openbaar. Hij deelde niet het fanatisme van de Armeense diaspora, wist dat hij zichzelf op die manier buiten de discussie zou plaatsen. Sterker nog, toen Frankrijk vorig jaar wettelijk verbood om de Armeense genocide te ontkennen, zei Hrant: ik ga naar Frankrijk, en ik ga het ontkennen. Kijken of ze me dan voor de rechter durven te slepen.’ Sungur: ‘Ik word al boos als ik het woord “genocide” hoor. Dan denk ik: jullie moeten mij niet vertellen hoe de zaken in mijn land liggen. Ik wil me met de urgente problemen in Turkije bezighouden. Eerst moet Turkije een echte democratie worden, dan pas kunnen we met het verleden in het reine komen.’

Zijn de Turken niet een beetje overgevoelig?

‘Ja,’ zegt Joost Lagendijk. ‘Absoluut.’

‘Nee,’ zegt Nevin Sungur. ‘Ik zou eerder zeggen dat we emotioneel zijn.’

‘Turken,’ zegt Lagendijk, ‘hebben een tweeslachtige houding tegenover de buitenwereld. Enerzijds zijn ze ontzettend trots op hun land en hun verleden, anderzijds hebben ze een gebrek aan zelfvertrouwen als ze met Europeanen praten. Bij alles wat we zeggen, roepen ze: ja, maar jullie proberen ons te pakken.’

Sungur: ‘Turkije is een samenleving die volwassen probeert te worden. Straks zijn we zelfverzekerder en redelijker. We zitten nu nog in de puberteit.’

Juwelierszaak

Op het terras van Istanbul Modern staat Nevin Sungur op van tafel. Het is tijd om naar haar familie in Yalova te vertrekken. Een uur reizen is het, per veerboot. Als ze straks voet aan wal zet, zal iedereen er zijn: haar zus die in Parijs woont, haar andere zus die hoogleraar economie is in Istanboel. En haar broer die in Yalova is achtergebleven om de juwelierszaak van hun vader over te nemen. Er zal gegeten en gedronken geworden, en gepraat over de verkiezingen.

Joost Lagendijk kijkt zijn echtgenote na terwijl ze gang zet richting de veerboot. Hij blijft nog een paar dagen in Istanboel, om zich vervolgens ook bij de familie Sungur te voegen. Ook in Yalova heeft de Erdogan-revolutie om zich heen gegrepen. ‘Ik heb begrepen dat Nevins vader overwoog om op de AKP te stemmen,’ zegt hij. ‘Straks eens uitvinden of hij dat ook echt heeft gedaan. Stel je voor, die oude secularist!’

Juryrapport

‘Het portret van Frans Timmermans biedt zelden vertoonde kijkjes achter de schermen van de Nederlandse politiek en diplomatie.’

Thijs Niemantsverdriet

Thijs Niemantsverdriet brengt met zijn diepgravende portretten van Frans Timmermans en Joost Lagendijk niet alleen de personen dichterbij, maar werpt ook een helder licht op de moeizame relatie tussen de Nederlandse publieke opinie en de EU. Zijn portret van Frans Timmermans biedt bovendien zelden vertoonde kijkjes achter de schermen van de Nederlandse politiek en diplomatie. Het is een fraai voorbeeld van ‘slow journalism’, waarbij de verslaggever ongewoon veel toegang tot zijn onderwerp heeft gekregen. Thijs Niemantsverdriet schrijft heel goed, componeert kundig en observeert scherp.