'Rusland ontroert me'

Onze man in Moskou toont naar aanleiding van zijn nieuwe roman zijn manisch-depressieve Rusland. ‘De negentiende eeuw is hier gewoon hervat, na zeventig jaar communisme.’

Door

Jeroen Vullings namens Vrij Nederland

Ja, dat had Pieter Waterdrinker weer. Hij kreeg een uitnodiging van de oud-minister van Cultuur om in diens televisietalkshow te verschijnen. Geen punt. Waterdrinker is op de Russische televisie een bekende verschijning die in politieke debatten lustig meepraat en niet moe wordt het Nederlandse gedoogbeleid inzake typisch westerse verschrikkingen als drugs smeuïg uiteen te zetten.

Eenmaal voor de camera bleek hij uitgenodigd voor een andere expertise. De uitzinnig populaire meisjesgroep Reflex coverde een nummer van Nederlandse origine: ‘Pasadena’. Of Waterdrinker eventjes de achtergronden wilde verklaren. Dus sprak hij voor de vuist weg, over de strandtent in Zandvoort waar hij ooit werkte. Daarna zong en danste hij mee. Grijnzend verstrengeld met de ravissante Zhenya, Alonya, Anna en, oké, de zwijnbuikige oud-minister.

Het bestaan van onze man in Moskou is gestoffeerd met zulke anekdotes, geput uit de groteske samenleving waar hij nu al zeventien jaar woont en werkt. Voor de Vrij Nederland-lezer behoeft de barok schrijvende vaste medewerker Waterdrinker (1961) geen introductie. Maar als fictieschrijver is hij een nagenoeg onbekende in de Nederlandse letteren.

Dat is raar. Zijn werk is vertaald; binnenkort verschijnt er een Duits-Engelse verfilming; hij is genomineerd geweest voor de prestigieuze International Impac Literary Dublin Award; in Moskou gaat weldra een opera in première, gebaseerd op zijn vorige roman De dood van Mila Burger. Maar de positieve recensies ten spijt doen zijn boeken in Nederland nauwelijks iets.

Begin februari verschijnt zijn achtste boek, de klassieke roman Lenins balsem, een hilarisch schelmenverhaal dat speelt tegen de achtergrond van de ineenstorting van de USSR en de opkomst van het roofdierkapitalisme zo’n twintig jaar geleden.

Laat me jouw Rusland zien, had ik hem daarom gevraagd. Dat kon, maar daarvoor moest ik twee steden met hem in. Want ‘Rus­land is een heilige en een hoer’, aldus de schrijver, die in beide steden domicilie houdt. In Sint-Petersburg woont hij met zijn echtgenote Julia Klotchkova, kookboekenschrijfster en filologe, al drieëntwintig jaar samen. In Mos­kou, de stad waar hij als journalist gestationeerd is, huurt hij een flat op een steenworp afstand van het Kremlin. Sint-Petersburg is er in zijn bestaan voor de cultuur, Moskou voor de zelfkant.

Op inbrekerspad

‘Elke auto is hier een taxi,’ zegt Waterdrinker en hij springt midden op de brede rijweg, met een imperatief halt-gebaar. Twee, drie Volga’s staan gierend op de remmen. Na een kleine onderhandeling – driehonderd roebel – stappen we in. Voort gaat het, naar een andere etappe in Waterdrinkers ontsluiting van Sint-Petersburg. We vertrokken van het echtelijke appartement in het patriciërshuis in de Tsjaikovskistraat.

Net ging het bijna mis, want Waterdrinker beklom een meterslange langwerpige sneeuwhoop die hij in zijn fictie ‘een loopgraaf’ noemde, iets dat hem in een recensie op het verwijt van fabuleren kwam te staan. ‘Ik heb weinig fantasie,’ zegt Waterdrinker, ‘het is allemaal waar wat ik schrijf, maar je moet er geweest zijn om te zien dat ik niet overdrijf’. Daar heeft hij gelijk in, maar het is spiegelglad en zijn nieuwe, bij de firma Manfield in Nederland gekochte schoenen hebben geen profielzolen, dus bijna komt hij net zo ongelukkig ten val als laatst in Moskou – een metalen pin in zijn (schrijf)arm herinnert hem daaraan.

Uiteraard doen we de Hermitage, waar Water­drinker graag vertoeft tussen de vele Rem­brandts. Maar hij leeft meer op in het huis waar zijn favoriet Vladimir Nabokov zijn jeugd doorbracht tot hij op zijn zeventiende door de revolutie gedwongen in exil moest. In de benedenvertrekken is het Nabokov-museum gevestigd, alwaar diens vlinderverzameling, documenten in zijn minuscule handschrift, geliefde tweedjasje en das ondergebracht zijn. Daarmee zou het bezoek gedaan moeten zijn, maar de verleiding is te groot voor een geharde nabokoviaan om het daarbij te laten. Waterdrinker bevingert de trapleuning, waarlangs de kleine Vladimir naar beneden roetsjte, en kijkt verlangend naar boven, waar de rest van het statige huis aan bedrijven verhuurd is. Al snel gaat hij me voor op inbrekerspad in de verlaten vertrekken, uit op glimpen van Nabokovs jeugd.

Inleving is ook het sleutelwoord bij ander sites die Waterdrinker in de stad toont. Van de kogelgaten die dateren uit de negenhonderd dagen dat Leningrad door de Duitsers werd belegerd tot het stadspaleis van prins Felix Joesoepov aan de Mojka waar de moord op de erotomane intrigant Raspoetin werd beraamd en klunzig uitgevoerd. Waterdrinker loodst mij naar de inpandige concertzaal, met een aparte loge voor de tsaar, en zegt: ‘Zo wil ik eigenlijk leven.’

Proleten

Die vervlogen tijd proeven we die avond ook in het Mariinski Theater, waar Puccini’s Madame Butterfly wordt uitgevoerd. Er loopt daar heel wat oud geld rond. Keurige families in pak en avondjurk die champagnecoupes heffen voor een stille toost. Nostalgisch herinnert Wa­ter­drinker zich de tijd, begin jaren tachtig, dat je hier niets anders kon krijgen dan champagne en ladingen – toen nog betaalbare – kaviaar. ‘Ik heb het geluk gehad op een buitengewone plaats een buitengewone tijd mee te maken,’ zegt hij. ‘Eind negentiende eeuw had ik het liefst in Parijs gewoond, de stad van Flaubert en de gebroeders De Goncourt. In de jaren twintig: Oxford, Brideshead revisited. De jaren dertig: het Berlijn van de Weimar­republiek, zoals Christopher Isherwood dat beschreef. Maar in de jaren negentig van de vorige eeuw moest je in Moskou zijn, bij het einde van het Sovjetexperiment. Over het gehele land lag toen een grijze papier-machéachtige laag, Moskou was een grauwe taart met één rood kersje: het Kremlin. Ik herinner me de nachtelijke rijen voor de winkels, de mislukte coup, de zelfverrijking, de opkomst van de maffia, overal corruptie en tekorten, de zwarte handel. In die tijd kwam de nieuwe Russische geldadel op. Proleten zonder gevoel en beschaving. Ze kochten voor een habbekrats “vouchers” op, aandelen die met de privatisering werden verstrekt. Ook de mogelijkheid opeens het huis waarin je woonde te kopen, voor een prikje, maakte veel Russen ongekend rijk – daarvoor was alles collectief bezit en dus geen bezit. Die periode was eigenlijk alleen te vergelijken met het Chicago tijdens de Droog­legging. In de periode dat ik zakenman was, eind jaren tachtig en begin jaren negentig, kwam iemand ’s avonds geld bij mij ophalen. De dag erna hoorde ik dat hij direct daarna in mijn portiek is geliquideerd.’

De derde akte begint, het is dageraad op het podium en Madame Butterfly staat doodstil. Waterdrinker heft de gehuurde binocle voor de ogen en verdwijnt in de muziek.

Bentleys

De volgende dag denderen we met een boemeltreintje, gezeten op houten banken, naar Pav­lovsk, een van de vele tsaristische buitenpaleizen, waar ons het Russische winterlandschap wacht dat Waterdrinker nooit meer wil missen. Hij memoreert dat Anna Paulowna, echtgenote van koning Willem II, van Pavlovsk komt, ‘goed voor je verhaal’.

Bij het vertrek van het beroete Moskouse station mijmert hij: ‘Je ziet de soldaten hier gewoon in 1916 naar het front vertrekken, in net zo’n trein. De tijd heeft hier stilgestaan, we rijden nu recht de negentiende eeuw in.’ Even later: ‘Dit is een inspirerende samenleving: je wordt hier constant gekatapulteerd tussen de verschillende tijden – die naast elkaar bestaan. Dat schept een dynamiek die mij inspireert tot schrijven.’

Tegenover ons zit een personage uit een Tolstoj-roman: een jongeman met lange baard, naast een vrouw met een hoofddoek. Ze kauwen op pitjes, niets in hun kleding herinnert aan de eenentwintigste en twintigste eeuw. Waterdrinker: ‘De negentiende eeuw is hier gewoon hervat, na zeventig jaar communisme. Met ook een terugkeer naar die krankzinnige verschillen tussen arm en rijk. Dat zie je op het platteland, maar ook in het centrum van Petersburg en Moskou, waar het krioelt van de Bentleys. Het beste wat je kunt doen om het huidige Rusland te begrijpen is de Russische klassieken herlezen: Tolstoj, Dostojevski, Tsjechov, Toergenjev, Gogol.’

Een familiehotel

Tot nu toe – hoe kan het anders als de gewezen reisleider Waterdrinker zíjn Rusland in maar een paar dagen tijd moet laten zien – was er sprake van een zeker toeristisch gehalte. Dat verandert met en na het uitgelezen diner bij hem thuis, door Julia bereid. Het haardvuur is aan, overal spinnen poezen en liggen of staan veelal antiquarische boeken, de complete Dostojevski en Balzac.

Beneden hun vertrekken in de Tsjaikovski­straat huizen de armoedzaaiers van de kom­moe­nalka. In belendende vertrekken op dezelfde verdieping heeft een louche rijkaard een waar paleis gecreëerd voor zijn minnares.

Maar bij de Waterdrinkers is een Petersburgse avond gaande, daar bij het knapperende vuur, door de gastheer aangemaakt met berkentwijgen. Bij de nazit gaat het al snel over de vraag welke passages in Oorlog en vrede per direct herlezen moeten worden. Is het de onthechting van vorst Andrej, op het moment dat hij denkt te sterven aan de Borodino, of de desoriëntatie van Pierre Bezoechov als hij het chaotische slagveld betreedt?

Waterdrinker laat zich vanavond beter kennen. Hij vertelt over zijn jeugd, via een ingekerfde herinnering. Ze hadden het niet breed thuis, maar zijn vader kocht – het was 1974 – een degelijke, nieuwe fiets, zodat zijn zoon elke morgen van hun familiehotel in Zandvoort naar het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem-Zuid kon rijden. Daar kreeg hij al snel iets onverkwikkelijks voor de kiezen. De leraar aardrijkskunde, die het jaar daarvoor Afgha­ni­stan had bezocht en sindsdien gehuld ging in een Afghaanse windjas, vroeg zijn leerlingen: wat doet je vader en waar waren jullie met vakantie? Pieters klasgenoten, getooid met voor hem uiterst exotische namen als Martijn en Cécile, kinderen van advocaten en professoren, antwoordden: ach, gewoon naar ons huisje in Toscane. Wéér naar Spanje, saai.

Pieter zei: ‘Wij gaan nooit met vakantie, we hebben namelijk een familiehotel.’ De leraar richtte zijn vinger op hem en sprak: jongens, hier zit de zoon van een kapitalist. De kapitalistenzoon dacht aan hoe zijn vader, die elke dag om vijf uur opstond en tot elf uur ’s avonds schnitzels bakte, hem die ochtend apetrots in zijn kokspak uitwuifde en verbeet zijn woede. ‘Vanaf dat moment ben ik extra gevoelig voor valsheid en hypocrisie.’

Tot zijn veertiende had hij geen boek in handen gehad. Dat veranderde toen hij op school literatuur moest lezen en lukraak een boek van een bibliotheekschap plukte: Eerste liefde van Toergenjev. ‘Op dat moment had ik het gevoel dat ik thuiskwam.’ In díé tijd, in die literatuur wilde hij leven, dus las hij alle Russen. ‘Ik dacht: als ik na mijn eindexamen Russisch ga studeren, dan betreed ik die wereld. Quod non.’ Vol afgrijzen: ‘Ik kwam terecht in het Bun­ge­huis in Amsterdam en de literatuurverachtende wetenschappers daar hadden niets te maken met de mij toelonkende, zinnenstrelende Natasja’s, op wie ik als twintiger al recht meende te hebben. Ik werd daar, zoals Nabo­kov schreef, lid van de broederschap der fonemen: een kale, kille, academische wereld. Ik wist niet hoe snel ik daar weg moest komen. In de jaren tachtig, toen Gorbatsjov opkwam, ben ik na twee jaar werken in Spanje in dat gekke, manisch-depressieve, desintegrerende Rus­land terechtgekomen. Eerst als reisleider, daarna als scharrelende kleine zakenman, later als journalist. Ik was daar Koning Een­oog.’

Sluitstuk

De volgende dag vertrekken we met de Nevski Express naar Moskou. De trein is amper in beweging, vanuit de coupé zijn witte sneeuwvlaktes zichtbaar en Waterdrinker barst los: ‘Rusland is geen land maar een onbegrensde ruimte. Rusland ontroert me. De ontroering ligt hier veel dichter aan de oppervlakte, het land is hier groter, de sneeuw is witter, de emoties zijn krachtiger. In mentaal opzicht zijn de dalen dieper, maar de bergen ook – daar kun je aan verslaafd raken.’

Ik vraag hem of Lenins balsem een afsluiting is van zijn Russische periode.

De geschiedenis van zijn hoofdpersoon Olaf Weber, die nogal lijkt op die van Waterdrinker, begint tenslotte bij de ineenstorting van de USSR en eindigt in het heden. De avond ervoor heeft Julia haar instemming betuigd met het slot, waarin Olaf en zijn geliefde hun oude dag slijten in Frankrijk – ook een wens van het echtpaar Waterdrinker.

Hij antwoordt: ‘Lenins balsem is mijn zesde boek over Rusland, waar het surrealisme heerst. Als roman is dit een sluitstuk: een ambitieuze poging de afgelopen kwart eeuw van mijn leven in Rusland te vangen. Het kapitalisme en het socialisme zijn de twee ideologieën die de hele vorige eeuw hebben bepaald. In 1991 hield het communisme als ideologie op te bestaan en nu lijkt het of het er nooit was. Zelfs kinderen van twintig hebben het alleen nog maar over hun pensioenen. Mens, durf te leven, denk ik dan. Van mijn kruin tot mijn tenen doe ik dat. Voor de huidige generatie, die nu naar de universiteit gaat, ligt de Sovjetunie even ver in de historie als de tijd van de hugenoten. Dat gebrek aan kennis en interesse bepaalt misschien niet zozeer het heden, maar wel de toekomst.

Ik stel mezelf op als een chroniqueur van die veranderingen in Rusland. Als ik me tot Neder­landers beperk, zijn er drie mensen die dat hele proces van de Sovjetunie, de val van het regime, de chaos erna, de intrede van het rigide, keiharde kapitalisme hebben meegemaakt: de mediamagnaat Derk Sauer, de journalist Peter d’Hamecourt en ik. Sauer heeft die ervaring omgezet in geld, d’Hamecourt in journalistieke roem en ik heb er literatuur van gemaakt. Zonder Rusland had ik altijd een gevoel van ontheemding gehouden, ik had mijn thuiskomst gemist.’

Hík, hík

Waterdrinker wil soep eten, dus wijken we uit naar de restauratiewagon. Daar is het een dolle boel. Een Walkure, die onthutsende gelijkenis vertoont met het voluptueus getekende personage Olga Lawina uit Martin Lodewijks Agent 327-strip, bestiert de boel. ‘Ha, onze Hollandse schrijver!’ bast ze tegen Waterdrinker, die een geziene gast blijkt. De schrijver heeft reeds een plaatsje op het oog: aan een tafeltje waar een slanke achttienjarige guitig kijkt naar haar halveliterfles bier. Op zijn vraag of daar plaats is, zegt ze: ‘Jammer genoeg niet!’ Alras blijkt waarom. De lelijkste man van zowel het oostelijk als het westelijk halfrond waggelt de wagon binnen, embonpoint onder de spencer, beker klotsende wodka in de mollige vuist. De vijftiger zijgt naast ons neer, want we bezetten een belendend tafeltje.

Nog voor de komst van de dronkaard had ik Waterdrinker gevraagd de theorie over roem toe te lichten die tegen het slot van zijn roman wordt opgeworpen. De ziekte van deze tijd schetst hij daar zo: ‘Niet het boek, zelfs niet het beroemde boek, maar de beroemde schrijver doet ertoe. Of beter gezegd: roem tout court.’

Waterdrinker begint aan een razend interessant verhaal, dat ik helaas grotendeels mis door het echte leven dat zich zomaar naast ons voltrekt. Als uit een roestig machinegeweer weerklinkt daar een onregelmatige reeks boeren uit de buurman. Daarna krijgt hij de hik. Heel hard, hík, hík. Ook lazert hij van de bank af, maar Olga Lawina en zijn giechelende vriendin sjorren hem weer in de gewenste positie.

Waterdrinker ratelt onderwijl onverstoorbaar door. Ik vang op: ‘De Lolita’s zijn net zo belangrijk geworden als de man die Lolita geschreven heeft. Het maakt niet uit of je een lekkere kont hebt of kunt componeren als Mozart: áls je maar beroemd bent. Dat hebben we ons de laatste vijftien jaar laten aanleunen. De huidige generatie schrijvers is opgevoed met computers, je drukt een knop in en je hebt meteen effect. Als iemand van eenentwintig nu een boek publiceert, denkt hij daarom dat het meteen succes zal hebben. Sterker nog: hij denkt er recht op te hebben. Omdat hij zo geconditioneerd is.’

Bah, zeg ik, want de buurman begint te kwijlen en die substantie weer op te zuigen.

‘De misvatting van deze tijd is dat de literatuur een middel moet zijn om roem te oogsten,’ hoor ik Waterdrinker zeggen. ‘Terwijl literatuur haaks staat op dat fenomeen, goede kunst gaat over de tragedie van het menselijk bestaan. In heel veel levens is niet succes de norm, maar leed. Literatuur gaat over de wereld waarin ziektes en ongeluk voorkomen. Maar het lijkt of deze digitale generatie dat wil uitbannen. Kunst is compassie, oog voor mensen die het niet getroffen hebben. Maar wie voedt die compassie nog? Bij mij waren dat mijn ouders, die zich – het was die tijd, de oorlog was nog altijd aanwezig – zoveel moesten ontzeggen dat ik ze wilde overvoeren met liefde. Maar als de vader van zo’n eenentwintigjarige hem belt vanuit zijn huisje in Toscane over zijn midlifeproblemen, denkt zo’n jongen terecht: waarom moet ik compassie met je hebben, klootzak?’

Onze buurman bonkt ritmisch met zijn hoofd op de tafel, laat het dan daar rusten. Zijn vriendin dept met servetjes zijn kin, drapeert zich tegen hem aan. Even later zijn ze in slaap verzonken.

‘Echte liefde,’ signaleert Waterdrinker. ‘De oudere man is hier zeer in trek bij zulke jonge vrouwen, voor hen zijn ze in deze samenleving genetische overlevers en kunnen ze zekerheid bieden. En bedenk dat Rusland een mediterraan land is, dat meer op Italië lijkt dan op Duitsland. Berlusconi met zijn “bunga bunga”-feestjes vinden ze hier een held.’ Hij wijst op het stel: ‘Een lelijke aap zit hier naast zijn jonge vriendin en dat is hier normaal. Dat is geen geëmancipeerd gedrag, maar het ontroert me.’

Onwesters gebit

Die eerste Moskouse avond troont Water­drin­ker me mee naar de bistro Zjan Zjak (Jean Jacques), een geliefde hotspot voor de anti-Poetin intelligentsia.

Het treft: de hoofdredacteur van de grootste internetkrant viert er zijn verjaardag. Om­ringd door zijn redactieleden, die als na een By­zan­tijnse vingerknip bulderen bij elke kwinkslag van het feestvarken. De Russische Joop van Tijn, duidt Waterdrinker, die alweer een geschikt tafeltje in de smiezen heeft. Pal naast twee nipt meerderjarige blondines. Hun iPads liggen in parate houding naast hun borden borsjtsj. De rad Russisch sprekende causeur Waterdrinker zet menige toost in, vermoedelijk op vierhonderd jaar Nederlands-Russische betrekkingen, maar hij ondervindt zware concurrentie. De dames zijn aanstormend internetjournalist en willen graag voor Van Tijn werken, dus ze laten zich geen woord uit zijn gebenedijde mond ontgaan. Desal­niettemin omhelzen Waterdrinker – bekend als de bonte hond – en de hoofdredacteur elkaar innig bij ons vertrek. Daarbij ziet Waterdrinker kans mij voor te stellen als de Nederlandse Belinsky, dé Russische literaire criticus van de negentiende eeuw. Te veel eer, maar Van Tijn maakt het nog erger, want hij schreeuwt de internetsollicitantes toe: ‘Wat doen jullie hier nog? Jullie horen in bed met Belinsky.’ Zelfs Waterdrinker heeft hier niet van terug.

Buiten wacht ons een nieuw plan, want aan mijn ‘Moskou-gevoel’ dient gewerkt, ‘voor je verhaal’. Daartoe moeten we ‘dieper afdalen in de hel’, dus voert een aftandse Mercedes ons naar een met graffiti opgesmukte betonnen loods, bewaakt door woestelingen. Het etablissement draagt de (achteraf veelbetekenende) naam Boar House. Binnen hangen grote schermen aan de wanden waarop hoogtepunten uit de internationale voetbalcompetitie in oneindige herhaling worden getoond. De populatie bestaat uit een horde buikige mannen van middelbare leeftijd en meisjes die je eerder in een jongerendisco zou verwachten. Studentes, weet Waterdrinker. Alleen is dit duidelijk geen disco.

Waterdrinker gaat een praatje maken met de uitbater, laat mij met een grijns van oor tot oor achter en ik begraaf mijn verstarde zelf in de cocktailkaart. Te laat, want naast mij dreunt het: ‘Joe zienk sexparty?’ Een meisje met een granieten blik, een fascinerend onwesters gebit en een mededeelzame maaginhoud herhaalt haar zakelijk geïnspireerde aanbod nog eens. Nu met astronomisch oplopende getallen erbij.

Op zo’n moment gaat er veel door je heen, om te beginnen mijn op 29 december 1999 plechtig uitgesproken jawoord. Maar het sterkst denk ik hier, ik beken het maar, aan mijn hoofdredacteur, die mij frequent opvoert als een interviewer die bereid is zich te laten werpen op een judomat of anderszins veldwerk te verrichten, ten behoeve van het verhaal. Wat zou hij publiekelijk van deze grensoverschrijdende casus maken? Een ontnuchterende gedachte.

Dús bega ik een journalistieke zonde: ik versjteer de potentieel onbetaalbare vertelstof. ‘Me driver,’ zeg ik in pigeon-Engels. En met een knikje naar de heupwiegende Waterdrinker, die verderop aan de toog grote schik lijkt te hebben: ‘He boss. Bald boss want bíg, bíg orgy.’ Onvergeeflijk natuurlijk, want even later zoekt een bedrukt kijkende Waterdrinker me op: ‘Geen idee wat er vandaag aan de hand is. Ik ben hier met zoveel Nederlandse journalisten, schrijvers, politici, zakenlui geweest, maar nooit ben ik zo bestormd. Dit is niet leuk meer. Laten we gaan.’

Hevige darmproblemen

De volgende ochtend. Waterdrinker is volkomen ontredderd. We staan op het Rode Plein, waar hij mij langs het lijk van Lenin in diens mausoleum wil voeren. Staat daar al vanaf 1924, maar vandaag niet. Het mausoleum is omheind door een witte plastic bol. Onder constructie, staat er op. ‘Dit kan niet. Dit gebeurt nooit.’ En: ‘Hoe moet het nou met je verhaal? Je reist bijna 2500 kilometer om hier te komen en dan is het lijk weg.’ Maar dat is toch juist prachtig voor het verhaal, riposteer ik. Het lijk van Lenin is nu alleen te bezichtigen in Lenins balsem. Over de hegemonie van de literatuur gesproken.

Maar Waterdrinker blijft aangeslagen. We sjokken door de vrieskou in een parkje en hij zegt: ‘Kijk, hier moest hij dus schijten.’ Hij doelt op zijn hoofdpersoon Olaf Weber, die geplaagd werd door hevige darmproblemen toen hij aanwezig was bij het balsemen van Lenins lijk.

Ik vraag hem waarom zoveel Russen nog naar Lenin blijven komen, terwijl vrijwel iedereen inmiddels doorheeft dat hij het kwaad zelf was. Hij zegt: ‘Als motto van mijn roman gebruik ik een citaat van Vladimir Iljitsj Lenin: “We schieten te weinig professoren neer!” Ik wil de mythe doorprikken die dit monster nog steeds aankleeft. Alsof Stalin en Hitler zoveel erger waren. Welnee, zowel Lenin als Hitler was apostel van de hel, behept met een mystiek doodsverlangen, uit op de algehele vernietiging. Hij was de eerste van hen. Met miljoenen doden op zijn geweten.

Maar met zoveel slachtoffers zijn er ook zoveel daders. Russen kennen geenVergangenheits­bewältigung. Ook Poetin durft dat niet aan, want hij wil de steun van die oude communisten niet verliezen. Dus komt de waarheid over Lenin niet naar buiten. Elke vorm van verering van dit vleesgeworden kwaad is absurd.’

We zijn aangekomen in zijn flat. In de verte glimt het Kremlin en Pieter Waterdrinker, die steeds bleef terugkomen op de vraag wat Rus­land voor hem betekent, wil daar nog iets over zeggen. ‘Het toeval heeft mij hier gebracht, in het hart van de Russische ziel. Ik kan hier leven zoals ik dat thuis nooit had kunnen doen. Roekeloos, intens, op de grens, dankbaar voor ieder moment dat ik er ben.’

Juryrapport

‘Aan het eind van het interview weten we wat Rusland zo mooi maakt, wat het zo ranzig maakt, en wat haar aantrekkingskracht is op Waterdrinker.’

Onze man in Rusland

‘Laat me jouw Rusland zien,’ vroeg interviewer Jeroen Vullings zijn subject Pieter Waterdrinker. En zo geschiedde. Op een avonturentocht door Tsaristische paleizen en restauratiewagons, leren we Waterdrinker en zijn Rusland kennen. Het is geen standaard vraaggesprek, maar een zorgvuldige aaneenrijging van illustratieve anekdotes afgewisseld door verwijzingen naar de omgeving. Toch raakt nooit de lijn in het interview verloren.

Voor het interviewgenre ongebruikelijk weet Vullings zijn verhaal te hullen in prachtig proza, waardoor het geheel meeslepend en leesbaar blijft. Vullings heeft oog voor pregnante details, die de situatie vatten: de mond van een lelijke buurman die zorgvuldig met een servetje wordt gedept door een –verdacht- mooie vrouw; pingelende taxi-chauffeurs; personages die rechtstreeks uit een Tolstojroman lijken te komen. Maar ook voor Waterdrinkers achtergrond: de hypocriete leraar aardrijkskunde; zijn besluit om naar Rusland te vertrekken.

Aan het eind van het interview weten we wat Rusland zo mooi maakt, wat het zo ranzig maakt, en wat haar aantrekkingskracht is op Waterdrinker.

De Tegel