De waarheid volgens Moszkowicz

Ex-junk en ex-advocaat Robert Moszkowicz wil afrekenen met zijn imago van het zwarte schaap en dus schreef de eeuwige zoon en broer ván zijn autobiografie: De Straatvechter. ‘Als u zulke dingen erin gaat zetten dan cancel ik het interview hierbij.’

Door

Antoinnette Scheulderman namens Volkskrant Magazine

Een antracietgrijze Bentley, met beige lederen bekleding, parkeert midden op de Keizersgracht. Robert Moszkowicz, in driedelig donkerblauw pak, stapt uit, laat de auto staan. ‘Ik zal u eerst even binnenlaten. Ik heb al mijn personeel vrijaf gegeven, zodat we rustig kunnen praten.’

Aan een muur van kantoor mr. Robert Moszkowicz ‘algemeen juristen & belastingadviseurs’ het staatsieportret van koningin Beatrix uit 1995 en een foto van de beroemde strafpleiter Max Moszkowicz met zonen David, Robert, Max en Bram. Verder een kapstok met één hangertje, een antieke kast, een rij naslagwerken Vreemdelingenrecht, een stapel buurtkrantjes van ruim een maand oud en een tapijt dat wel een stofzuiger kan gebruiken.

Robert Moszkowicz schreef een boek. Zijn autobiografie, De Straatvechter. Het had het script voor een dramaserie kunnen zijn. Overspel, vier huwelijken, dertien kinderen, een harddrugsverslaving, een beroepsverbod, een wederopstanding, maar vooral: getroebleerde familierelaties. Vijf advocaten in één gezin die met elkaar wedijveren, een door de oorlog getraumatiseerde ‘allesoverheersende’ vader die onderscheid maakt tussen zijn zoons en eist dat ze een joodse vrouw trouwen, broers die zich gedragen als ‘ijspegels’ en – aldus onterfde broer Robert – in rap tempo de erfenis van hun vader ‘erdoorheen jagen nog voordat hij dood is’.

Nadat hij zijn auto heeft geparkeerd, steekt Moszkowicz een sigaret op, de eerste van een hele reeks. ‘Wilt u thee? Oh, koffie, kunt u dat dan zelf zetten, ik drink het nooit.’ Dan neemt hij plaats achter zijn grote bureau, bedolven onder stapels papier, Marokkaanse asbakken en een onderzetter waarop het woord ‘shalom’ staat.

Aan de muur twee ingelijste vakantiefoto’s van Moszkowicz met zijn vierde echtgenote, hun twee dochters en zoon. Bij het ene lijstje is het glas eruit gebroken, in het andere bedekt één scherf de foto.

In De Straatvechter beschrijft Moszkowicz hoe hij Bouchra Boukarfada ontmoet. Haar vader Ahmed is cliënt in zijn praktijk, Bouchra komt op een dag mee. Hoewel nog niet lang bezig aan zijn derde huwelijk valt hij meteen voor de ‘bloedstollend mooie’ Marokkaanse.

U heeft niets te veel gezegd, ze is inderdaad mooi.

‘Zeker, en we zijn al zestien jaar samen.’

Is dat uw record?

‘Dat kun je wel zeggen. En dat blijft ook zo.’

Telefoon. Eerst zijn iPhone, dan een andere smartphone, vervolgens de vaste telefoon op het kantoor. Drie ringtones door elkaar, op de meest luide stand. Moszkowicz, onverstoorbaar: ‘Is de koffie te drinken?’ Vervolgens, als de oproepen aanhouden: ‘Ik doe er niks aan hoor, ze gaan vanzelf uit. We praten gewoon door.’

U bent pas 22 jaar als u wordt beëdigd als advocaat, de jongste ooit. U gaat werken op het kantoor van uw vader Max. Acht jaar later, in 1984, staan jullie tegenover elkaar in de rechtszaal. U noemt het een sleutelmoment.

‘Mijn vader en ik zijn het meermalen niet met elkaar eens geweest, onze karakters botsten. Die rechtszaak was daar een culminatie van. Ik opende een eigen kantoor in Roermond, volgens mijn vader had ik dossiers uit zijn praktijk gestolen om daarmee die eigen praktijk op te zetten.’

‘Hij is een junk!’, roept uw vader op een gegeven moment, waarop u antwoordt: ‘Hoe durf je mijn privé-leven erbij te betrekken, ik zeg toch ook niet dat jij er naast mama drie vrouwen op nahoudt?’

‘Het was geen hoogtepunt. Maar op dat moment vocht ik voor mijn bestaan.’

Een moddergevecht, ‘daar zijn we beiden goed in’, schrijft u.

‘Achteraf is het heel jammer. Later is het voorval weer met de mantel der liefde bedekt. Het wezenlijke verschil tussen mij en mijn broers is dat ik me niet altijd neerlegde bij wat mijn vader eiste. Dat irriteerde hem mateloos.’

U beschrijft hoe uw vader opvoedt ‘met harde hand’, absolute gehoorzaamheid eist en ‘de tactiek van verdeel en heers’ praktiseert: ‘Ieder van ons moet voor zichzelf knokken, ook als dat ten nadele van de ander is’.

‘Wij moesten overlevers worden, net als hij. Mijn vader is een zeer dominante persoonlijkheid die zonder zijn stem te verheffen een ander zijn wil kan opleggen. Dat ging met blikken, met een manier van spreken, met lichaamstaal – zonder dat ik wil zeggen dat hij intimideerde.’

Uw broer Bram schreef ook een boek, Liever rechtop leven dan op je knieën sterven , dat hij opdroeg aan jullie vader. Hij verhaalt onder meer over een ‘gelukkige, harmonieuze jeugd’. Terwijl u schrijft: ‘Samen met mijn broers groei ik op in een koud gezin’.

‘Ja, zoiets zie je wel vaker bij bekende families. Dat jarenlang de schone schijn wordt opgehouden. Een fabeltje, waarvan je pas achter de schermen ziet hoe het werkelijk is. Ik heb in mijn boek opgeschreven hoe ík het heb ervaren. Mijn broers zijn door mijn vader anders benaderd. Dan heb je misschien deels een andere perceptie. In 2003, nadat ik tien jaar eerder met hem had gebroken, bezocht ik mijn vader weer. Bram begeleidde het bezoek. Voordat ik naar binnen ging, zei hij: ‘Je moet weten dat papa en Max al een jaar niet meer met elkaar praten.’ Ze communiceerden zakelijk alleen nog met briefjes. Max voelde zich in materiële zin achtergesteld ten opzichte van David.’ Een grimas: ‘Hij kreeg te weinig cadeaus.’

De iPhone. De smartphone. De kantoortelefoon. Moszkowicz: ‘Dus ja, het kwam toch voor in de familie, anders dan Bram suggereert.’

In een groot profiel van uw gezin in de Volkskrant van 1986 zegt uw vader over u: ‘De familie zit in de sores door dat rotjoch dat altijd al het zwarte schaap van de familie is geweest.’

‘Het is een kwalificatie waarvan mijn vader zich later heeft gedistantieerd, maar die tot op de dag van vandaag over mij wordt gebruikt. Ik heb ervoor gezorgd dat het in mijn boek niet één keer voorkomt. Je wordt er doodziek van.’

U schrijft: ‘Mij wordt al op jonge leeftijd duidelijk gemaakt dat ik de minst favoriete zoon ben.’ Voor uw 10de verjaardag vraagt u van uw vader een dinky toy-autootje, van 2 gulden 50.

‘En ik kreeg helemaal niets. Mijn moeder probeerde haar best te doen, maar mijn vader feliciteerde me niet eens. Ik moet er niet aan denken dat ik zoiets met één van mijn kinderen zou doen. Hij drukte zijn voorkeuren uit in de grootte van de cadeaus. David en Bram kregen een gewone Mini toen ze hun eindexamen haalden. Max een Mini Cooper, met een grote motor, en in twee kleuren. Het mooiste cadeau ging naar degene van wie hij het meest hield. Ik studeerde als beste en snelste van het stel, maar kreeg pas een jaar later na lang zeuren een tweedehands Fiat 600.’

‘Ons hele leven zijn mijn broers en ik al met elkaar in competitie’, schrijft u. ‘

Soms zei mijn vader wel dat ik het beste studeerde, maar nooit waar de anderen bij waren. Ik had door dat mijn vader ons tegen elkaar probeerde uit te spelen en liet hem dat soms merken. Dat vond hij niet leuk, dat hij werd gewezen op iets dat minder prettig was.’

Voorafgaand aan het gesprek was er contact met David, Max junior en Bram Moszkowicz. Ze laten weten wellicht na afloop van het interview met ‘de autobiograaf’ te willen reageren.

Robert, terwijl hij een nieuwe sigaret opsteekt: ‘Dat is een leuk trucje, dat had u natuurlijk wel door, maar dat doen we dus niet, hè. Ik ken mijn pappenheimers, dit is niet de juiste volgorde.’

Zoon Yehudi Moszkowicz, inmiddels succesvol advocaat te Utrecht, wil wel uitgebreid praten. Hij zegt: ‘Van wat mijn vader over zijn familie vertelt, is geen woord gelogen. Ik heb een enorme bewondering voor wat mijn opa heeft opgebouwd, zeker gezien zijn achtergrond. Hij heeft zich van de put naar de top gewerkt. Maar dat iemand die Auschwitz overleeft emotioneel een tik van de molen krijgt, vind ik niet gek. Mijn opa is een uiterst beschadigd mens. Dat is een verklaring, geen rechtvaardiging. In de tijd dat mijn vader zwaar verslaafd raakte, hadden mijn moeder, broer en ik soms nog maar 3 gulden om van te leven. Toch hebben mijn opa en ooms ons nooit geholpen.’

Uit De straatvechter: ‘De gehoorzaamheid die mijn vader eist, neemt soms groteske vormen aan. Zo rijden mijn broers en ik op een dag met mijn vader naar het centrum van Maastricht. We stoppen even bij de lingeriewinkel die van hem is geweest voor hij advocaat werd. Hij roept iets naar binnen en even later komt een voluptueuze blonde dame met naaldhakken en netkousen op de voorste passagiersstoel zitten. Mijn vader begint haar hartstochtelijk te betasten en zoenen. De dame kijkt geschokt naar de achterbank waarop vier kleine jongetjes met grote ogen zitten te kijken. ‘Max, de kinderen!’ roept zij. Mijn vader grinnikt en gaat gewoon verder. Als de dame is uitgestapt, werpt hij een blik naar achteren. ‘Niet met mama hierover praten’, zo bijt hij ons toe. En dat doen we natuurlijk niet. Hij toont ons dat je voor vrouwen geen respect hoeft te hebben.’

Het is een pittige anekdote.

‘Daar kun je je kinderen beter niet mee confronteren, hè.’

Sprak u er met uw broers over?

‘Met geen woord. Ik heb het zelf ook nooit aan de orde gesteld, maar het is me altijd bijgebleven.’

De verhalen die u over uw opvoeding vertelt, zijn soms verbijsterend, maar toch vraag ik me af: waarom schrijft u het op, terwijl uw vader vanwege zijn slechte gezondheid niet meer in staat is te reageren?

‘Ik maak dit boek niet om mijn vader te koeioneren, maar omdat het vanuit psychologisch oogpunt goed is nu een keer mijn eigen verhaal te kunnen vertellen. Genen en opvoeding hebben invloed op je verdere leven. Wat mij vaak dwars heeft gezeten, en nog zit, is dat er in de publiciteit veel viezigheid over mij is geuit, wat een eigen leven ging leiden. Ik kan dat alleen rechtzetten als ik volledig eerlijk ben. In bepaalde opzichten is dat vervelend voor mijn vader, maar ik vertel ook wat er wel prettig was. Ik heb natuurlijk een enorme intellectuele bagage meegekregen. En een bepaalde manier van leven, van stijl, van decorum.’

U beschrijft hoe uw broers in 2004, kort nadat uw vader door een herseninfarct is getroffen, een schenking van driekwart miljoen euro per persoon ontvingen. U komt erachter dat u niet in zijn testament bent opgenomen. En vertelt in het boek met naam en toenaam hoe uw ene broer ‘het bedrag bijna helemaal aan zijn niet-joodse bijvrouw’ besteedt, terwijl een ander het meteen opmaakt aan ‘mooie auto’s en het goede leven’.

‘Als het om geld gaat, is David de verstandigste. Hij gaf het niet meteen uit. David is ook de enige die mij financieel wel eens heeft geholpen, toen het echt niet anders kon. Die heeft tenminste nog ergens een hart zitten.’

‘Zakelijk jagen ze in rap tempo de erfenis erdoorheen, nog voordat hij dood is’, schrijft u. Dat is nogal een aantijging.

‘Het is misschien hard, maar wel de waarheid. Ze hebben meteen veel onroerend goed van mijn vader verkocht. Ze wilden zelfs de ouderlijke villa verkopen, waar onze moeder nog woont. Dat heeft Elka, de vriendin van mijn vader, weten te voorkomen. Zij heeft via de rechter een bewindvoerder laten aanstellen, die erop toeziet dat mijn vaders vermogen intact blijft. Dit tot groot ongenoegen van mijn broers. Ze deed het overigens niet in haar eigen belang, Elka krijgt sowieso maar een ton.’

Heeft u het boek vooraf aan uw broers laten lezen?

‘Nee, waarom zou ik? Bram heeft zijn boek toch ook niet eerst aan mij laten lezen?’

Ze komen nogal nadrukkelijk en vaak negatief in uw boek voor.

‘Niet over de hele linie. David sowieso niet. En ik verdedig Bram ook, waar het gaat over de manier waarop hij is aangepakt bij zijn schrapping.’

U noemt uw broers ijspegels, Bram een dandy met ster-allures, die zich als een zonnekoning gedraagt en u op een bepaald moment uitlacht als u zich geen advocaat meer mag noemen.

‘Dat was in 1993. Ik was afgekickt en weer een praktijk als jurist begonnen. En geen kleintje, kan ik u zeggen. Bram vond het hilarisch dat er op mijn visitekaartje ‘Moszkowicz consultancy’ stond, hij was namelijk wél gewoon advocaat. Onze verhouding is altijd ambivalent geweest. Soms was het wel goed.’

U vroeg hem u bij te staan toen u als advocaat geschrapt dreigde te worden.

‘In eerste instantie deed hij dat. Toen het onderzoek er eenmaal kwam, trok hij zijn handen ervanaf. Hij had geen tijd, zei-ie. Later heeft hij me er nog van proberen te weerhouden een zaak tegen Ayaan Hirsi Ali te beginnen, namens een aantal moslimorganisaties. Een gotspe. Net als zijn verdediging van Geert Wilders. Dat zou ik nooit hebben gedaan, mijn vader ook niet. Maar Bram wilde niet luisteren.’

Uiteindelijk is hij in 2013 op hetzelfde artikel in de Advocatenwet geschrapt als u in 2006.

‘Toen ik werd geschrapt, heb ik van geen enkele broer bericht gekregen. Ik heb Bram wel een sms gestuurd toen het hem gebeurde. ‘Welcome to the club’. Niet dat ik sjoege kreeg. Bram is overexposed, hij komt veel te vaak op tv. Hij is een beetje losgeslagen. De dwingende ogen van mijn vader zorgden ervoor dat mijn broers niet uit de band konden springen. Maar toen de kat van huis was, dansten de muizen.’

Bent u weleens jaloers op Bram geweest, op de aandacht die hij kreeg en de band die hij wel met jullie vader had?

‘Nee. Ik ben zelf vaak genoeg in de publiciteit geweest, maar ik zocht het niet op. En ik was een kerel met het hart op de tong. Ook tegen mijn vader. Bram slikte het misschien weg, om pa te pleasen. Het zij zo.’

U stelt in het boek dat u aan het tweedegeneratiesyndroom lijdt. Bram deed dat in zijn boek ook.

‘O ja? Nou, ik denk dat Bram dat bij zichzelf veronderstélt aanwezig te zijn. Bij mij is het daadwerkelijk onderzocht en vastgesteld. Al vanaf mijn 5de jaar had ik in de gaten dat er iets goed mis was. Ik werd ’s nachts weleens wakker als ik een enorme oerschreeuw hoorde in de kamer naast me. Mijn vader, die een nachtmerrie had. Daar leef je als kind mee, je weet niet precies hoe je het moet duiden.’

U beschrijft hoe uw vader een ‘obsessie’ ontwikkelt met joods-zijn. Zo bekijkt hij u afkeurend, omdat u ‘geen jodenneus’ zou hebben. Terwijl jullie, met een katholieke moeder, volgens de orthodox-joodse wet geen joden zijn.

‘Hij wilde per se dat wij zouden herstellen wat hij kennelijk als zijn eigen fout zag: het trouwen van een niet-joodse vrouw. Ik kan me wel voorstellen hoe het is gegaan. Hij was 19 jaar toen hij uit Auschwitz kwam, de enige van zijn familie die het overleefde. Indertijd had hij het wel even gehad met het jodendom, het had hem alleen maar ellende gebracht. Dus trouwde hij de dochter uit het katholieke gezin dat hem opving. Later, als advocaat in Maastricht, bleef hij voor de buitenwereld ‘die jood’. Op zo’n moment word je teruggeworpen op je roots.’

Robert Moszkowicz is 16 jaar als hij, als geste naar zijn vader, de joodse naam Baruch – ‘de gezegende’ – aanneemt. De Straatvechter verhaalt over een snelle leerling die in rap tempo een veelgevraagd en succesvol advocaat wordt, maar in de problemen raakt door de liefde voor een aan heroïne verslaafde cliënte, die niet alleen zijn eerste huwelijk verwoest, maar ook hem aan de heroïne helpt, als hij om zijn nieuwe liefde ‘te kunnen helpen’ aan den lijve wil ondervinden wat harddrugs met een mens doet. Eind jaren tachtig glijdt Baruch steeds verder af, spendeert in drie jaar tijd 600 duizend gulden aan de verslaving, staat vaak zwetend en rillend in de rechtszaal, tot zijn faillissement wordt aangevraagd – op de lijst met schuldeisers ook het kantoor van Max Moszkowicz te Maastricht. In 1987 trekt hij zichzelf vrijwillig terug als advocaat en kickt in de gevangenis af. De naam Baruch zweert hij af, hij vindt zichzelf ‘geen gezegend persoon meer’. Acht jaar en een studie fiscaal recht later wordt Robert opnieuw beëdigd als advocaat. Om die titel in 2006 definitief te verliezen: net als later broer Bram wordt hij geschrapt van het tableau.

Heeft uw vader meegekregen dat twee van zijn zoons zich geen advocaat meer mogen noemen?

‘Nee. En als ik hem bezoek, praat ik daar niet over.’

Kunt u nog met hem communiceren?

‘Soms. Het ene moment vraagt hij vijf keer hetzelfde. Rare dingen. ‘Hoe gaat het op school?’ Maar hij is ook weleens redelijk helder. Dan informeert hij hoe het met de business gaat. ‘Goed pa, prima.’ Waarom zou ik hem ermee opzadelen?’

U beschrijft in het boek een moment van toenadering, eind jaren tachtig, als u in de gevangenis zit.

‘Ik had mijn vader toen gevraagd mijn verdediging op zich te nemen. Daardoor kwamen we weer on speaking terms. Op een dag stapte hij mijn cel binnen. Ik lag op de grond, omdat ik niet kon staan van de pijn. Ik droeg twee jassen over elkaar – koud, warm, koud, niet zweten, wel zweten. Ik was drie jaar zwaar verslaafd geweest en kreeg veel te weinig methadon. Wankelend ben ik opgestaan, we omhelsden elkaar. Mijn vader zei: ‘Wat ik nu zie, doet me aan het concentratiekamp denken.’ Eigenlijk was dat wat ik wilde. Dat ik meemaakte wat hij ook had meegemaakt.’

Kun je dat vergelijken?

‘Ik weet het verschil heus. Maar die gedachte schijnt verband te houden met het tweedegeneratiesyndroom. Dat je je onbewust schuldig voelt dat je vader zoiets heeft moeten doorstaan en jij niet.’

Één van de schrijnendste zinnen uit uw boek is: ‘Je weet pas echt dat je een junk bent als je stoned naar de uitvaart van je eigen kind gaat.’

‘Ik spaar mijzelf niet, hè? Onze zoon Jaïr werd in 1985 verslaafd geboren. Twee maanden later vond ik hem dood in bed, naast Ilse, die door de drugs in een diepe slaap was. Voor de plechtigheid moesten zij en ik nog heroïne gebruiken, om die uitvaart aan te kunnen.’

Kom je ooit over zoiets heen?

‘Moeilijk. Het speelt nog bijna dagelijks in mijn achterhoofd. Ik heb tenslotte vier overleden kindjes. Dat is heel uitzonderlijk. De wiegedood van Jaïr kun je waarschijnlijk niet los zien van het feit dat hij verslaafd ter wereld kwam. De andere drie zijn te vroeg geboren of waren niet levensvatbaar.’

In 2013 werd u 60 en kreeg u uw dertiende kind, dochter Raissa.

Uw vrouw Bouchra is 23 jaar jonger dan u. ‘Tweeëntwintig en een half jaar.’

Waarom op uw 60ste nog een baby?

‘Nou, ik ben niet laat aan kinderen begonnen, ik ben gewoon lang doorgegaan. Ik was 25 toen ik mijn oudste zoon Max kreeg, hij is nu 35. Het cliché is waar: kinderen houden je jong. Ik denk nog steeds als een vlegel.’

foto No Candy

In het boek beschrijft u hoe Max zijn eerste rijles krijgt in uw Jaguar en hoe u Max en Yehudi seksuele voorlichting ‘Moszkowicz-stijl’ geeft: ze zijn 16 en 14 als u ze meeneemt naar Yab Yum. Uw verhalen doen soms wat protserig aan.

‘Dat ben ik niet met u eens. Waarom zou je geen les krijgen in een Jaguar als je vader mooie auto’s heeft staan? Yab Yum was een geintje. Ze hebben een glas cola gedronken aan de bar, uiteraard niets meer.’

U houdt van ‘blingbling’, schrijft u, op een gegeven moment heeft u zeventien auto’s. Uw ex-chauffeur somde het ooit op, u bezat onder meer vier Rolls-Royces, twee Bentleys, twee Aston Martins, een Porsche en drie Ferrari’s.

‘Dat kon toen allemaal – makkelijk zelfs. Het is een gekte, Bouchra heeft me eraf geholpen.’

Hoeveel heeft u er nu?

‘Drie. De Bentley die u net zag, uit 1997. Een BMW 7-serie. En moeders heeft een Volkswagen Scirocco.’

Hoe is uw financiële situatie momenteel?

‘Nou, netjes.’

Wat betekent dat?

‘Ik kan mijn verplichtingen nakomen, mijn kinderen te eten geven, mijn kantoor draaiende houden.’

Ik las dat er vorig jaar mei een executieveiling van uw huis was. Dat u en uw vrouw geïnteresseerden toegang weigerden en de politie eraan te pas moest komen.

‘Dat ging om de boedel, niet om het huis. En het had alleen te maken met een geschil, niet met wel of niet kunnen betalen.’

In Quote zei u toen: ‘Ik ben zo arm als een kerkrat’.

‘Weet ik. Weet ik. Maar dat was niet zo.’

Nee?

‘Nee. Natuurlijk niet. Grapje. Dat begrijpt toch iedereen wel? Ik heb het moeilijk gehad, zeker, maar ik ben eruit gekomen. Zoals ik al twee keer eerder met níets opnieuw begon. Ik ben een vechter.’

Uit het boek doemt het beeld op van een emotioneel verwaarloosd kind, zoekend naar erkenning, een geslaagd advocaat die soms menselijke en zakelijke fouten maakt, maar vooral erg wordt dwarsgezeten door zowel familie als collega’s.

‘Dat is mijn bagage, ja, maar ik voel me niet zielig. Genoeg mensen hebben respect voor het feit dat ik me zo wist terug te vechten. In de beroepsgroep was het vaak anders. Iedereen hoort volgens het recht een tweede kans te krijgen. Maar kennelijk niet in de advocatuur.’

Ik las ook de documentatie over u. Daaruit krijg je een andere indruk. Van veel mensen die zich door u gedupeerd voelen.

Verbeten: ‘Aha. Op het laatste moment de vervelende vragen stellen, hè?’

Ik vind dat ik ze moet stellen.

‘Ik vind ze triviaal, niet relevant. De viezigheid en rotzooi die over mij wordt geschreven, laat ik met dit boek achter mij.’

Maar die zaken komen juist niet voor in uw boek. Bijvoorbeeld hoe de HEMA en Konmar in uw voormalige woonplaats Nieuwegein aangifte wegens wangedrag doen tegen u en uw vrouw.

‘Dat is ruim vijftien jaar geleden.’

‘Winkels doen spontaan hun rolluiken dicht wanneer de twee worden gesignaleerd’, las ik.

‘Mijn vrouw heeft een keer herrie gehad in de Konmar, omdat iemand haar voor kut-Marokkaan uitschold. Toen is ze op de vuist gegaan en is haar – dus niet mij – de toegang ontzegd. Ik sta helemaal achter wat ze deed. Toen ik als kind voor rotjood werd uitgescholden, was er maar één remedie: ze met hun kop de boomschors in timmeren.’

In het stuk stond inderdaad niet dat uw vrouw werd gediscrimineerd.

Met stemverheffing: ‘Néé, tuurlijk niet, dat wordt dan weer niet opgeschreven, hè.’

Dus is het toch wel nuttig die zaken door te nemen.

‘Nee, hoor. Verder praat ik er niet over. De waarheid staat in mijn boek.’

Terwijl u een rijontzegging heeft, maakt u een snelheidsovertreding. In het proces verbaal verklaart u dat uw vrouw reed. Zij zegt dat haar moeder reed.

‘Van dat hele verhaal klopt helemaal niks.’

Uit Het Parool: ‘Haar inmiddels 70-jarige moeder, die slecht ter been is en net twee herseninfarcten heeft gehad, verklaarde later dat ze nooit rijdt. Ze heeft niet eens een rijbewijs.’ Juni 2012 wordt er een gevangenisstraf van vier maanden tegen u geëist wegens valsheid in geschrifte. Als ik dat lees, denk ik: merkwaardig verhaal.

‘Ik hoor het u zeggen.’

Nu klinkt u als uw broer Bram.

‘Die uitspraak heeft hij van mij. Ik ben zeven jaar ouder. Hij heeft veel van mij geleerd.’

Mag ik vragen waarom dit kantoor op naam van uw vrouw staat?

‘Nee. Mag u niet. Praat ik niet over.’

Ik sprak advocaat Tielemans, die mensen vertegenwoordigde die zich door u voelden opgelicht. Hij moest de zaak afblazen wegens ‘geen verhaalsmogelijkheden’: de deurwaarder kon bij u niks halen, omdat uw vrouw officieel nauwelijks bezittingen heeft.

‘Ik reageer daar niet op.’

Ik vind dat niet zo sterk.

‘Nou, dan vindt u mij maar een zwakke jongen.’

Peter R. de Vries noemde u ‘een gewonde man’.

‘Zei hij dat zomaar ineens?’

Hij komt in uw boek voor, ik vroeg hem naar zijn indruk van u.

Moszkowicz zoekt in de stapel papieren naar een leeg vel. Begint driftig te schrijven.

U gaat het opschrijven?

‘Ik wil het niet vergeten. Het is een aparte uitspraak. Ik ben niet mijn eigen psychiater, hè, het is altijd moeilijk in jezelf te kijken, maar ik begrijp wel wat hij bedoelt.’

De iPhone. De smartphone. De kantoortelefoon. Ineens neemt Moszkowicz wel op. Na het gesprek beent hij weg. ‘Ik moet even mijn neus snuiten.’ Bij terugkomst: ‘Nu heb ik een vraag voor u. Bent u nou van plan die viezigheid van zo’n meneer Pielemans ook te vermelden en dan op te schrijven dat ik geen commentaar geef?’

Ja.

‘Dan stop ik nú met dit gesprek. Als u zulke dingen erin gaat zetten en zich niet beperkt tot mijn boek, dan cancel ik het interview hierbij.’

Ik maak een portretterend interview, naar aanleiding van uw boek. Het gaat niet álleen over uw boek.

‘Nee, mevrouw, daar ben ik heel rigoureus in. En dit is off the record, dat begrijpt u toch wel? Ik kan uw apparaat ook uitzetten.’

Ik heb liever niet dat u aan mijn spullen zit.

Moszkowicz drukt driftig op het opnameapparaat. Zet hem uit. Zegt: ‘Ik eis dat u dit wist waar ik bij sta.’ Verheft zijn stem, staat op, komt te dichtbij, zegt een veto uit te spreken over het interview en beantwoordt de opmerking dat dat niet aan hem is met: ‘Wacht maar, dan kent u mij nog niet.’

Diezelfde avond komt er een uitgebreide mail van juristenkantoor Moszkowicz, met zinnen als: ‘Thans is het interview mitsdien geannuleerd.’

Een week later, als hij de tekst op feitelijke onjuistheden krijgt te lezen, mailt Robert Moszkowicz: ‘Het is jammer dat de correcte gedeelten uit het interview worden afgewisseld door deels onvolledige en deels feitelijk onjuiste aan mij toegedichte uitlatingen.’ En: ‘U moet zich kunnen voorstellen dat ik in de afgelopen 26 jaar een allergie heb opgelopen voor dit soort vuilspuiterij uit he­­t verre verleden en dat ik, indien ik daar weer mee word geconfronteerd, wat heftiger reageer dan ik normaal gewend ben te doen.’

De broers Moszkowicz maken geen gebruik van de gelegenheid te reageren; ze laten geen van allen nog iets van zich horen.

Juryrapport

‘Rake observaties, grondige voorbereiding, journalistieke moed en mooie penseelstreken.’

De waarheid volgens Moszkowicz

Een interview waarin alle talenten van Antoinnette Scheulderman tot volle ontplooiing komen. Allereerst zijn daar de rake observaties, die gaande het interview stuk voor stuk een functie blijken te hebben. Dan is daar de grondige voorbereiding, die ervoor zorgt dat de geïnterviewde niet kan wegkomen met gladde praatjes. Scheulderman betoont vervolgens de journalistieke moed om de poot stijf te houden tegen een nogal intimiderende geïnterviewde. En uiteindelijk vertrouwt ze het geheel met mooie penseelstreken toe aan het papier. Kortom: een leerstuk voor iedere beginnende journalist of student journalistiek.

De Tegel