Mensensmokkel in Izmir

Een mensensmokkelaar verdient grof geld aan arme vluchtelingen, zonder dat het hem interesseert of die de overkant halen. Dat is ons beeld, de smokkelaar zelf ziet het heel anders.

Door

Anneke Stoffelen en Sakir Khader namens http://www.volkskrant.nl/vonk/mensensmokkelaar-abu-saif-ik-ben-geen-huichelaar~a4201802/

Een magere man in een rolstoel rijdt het kantoortje van de mensensmokkelaar binnen. De velg van zijn hulpmiddel schuurt over de vloer. Er mist een band. ‘Je bent de eerste met wie ik praat’, zegt de nieuwe klant.
Hij is blind aan één oog. Met het andere oog kijkt hij hoopvol naar Abu Saif. ‘Ik zag je pagina op Facebook.’
Abu Saif heeft zojuist zijn 12-jarige assistent Khalid eropuit gestuurd om deze man op te halen. Een rammelende lift met een zwart gat waar ooit de noodknop zat, heeft de klant naar de tweede verdieping gebracht van dit kantoorverzamelgebouw. Op de laatste deur in de vaal verlichte gang hangt een wit A4’tje met het logo van KE Marketing. Daarachter werkt de 28-jarige Syriër Abu Saif.
De poster hangt er alleen voor de vorm. KE Marketing is een bedrijfje dat hij tegenkwam op internet, ‘ze doen iets met elektronische apparaten enzo’. Zo heeft hij een verhaal, ‘mocht de politie ooit aankloppen’. Want Abu Saif handelt in illegale bootreizen naar de Griekse eilanden.

We zijn in het smokkeldistrict van de Turkse kuststad Izmir. De wijk rond treinstation Basmane wordt ook wel spottend klein-Syrië genoemd. Duizenden migranten zijn hier samengeklonterd, in afwachting van hun reis naar Europa. Veel Syriërs, maar ook Irakezen, Afghanen, Iraniërs. Wie niet genoeg geld heeft, strandt voorlopig hier. Wie het geld wel heeft, koopt in een kebabzaak een zwemvest en meldt zich bij een smokkelaar als Abu Saif.
De man in de rolstoel is gevlucht uit Syrië. ‘Ik ben door kogels in mijn ruggegraat en nek geraakt, daarom ben ik deels verlamd. Ik ben heel zwak in mijn schenen. Ik wilde eigenlijk niet op reis, maar mijn dokters hebben me aangeraden elders medische hulp te zoeken.’
Abu Saif zit achter een kolossaal houten bureau met daarop een laptop en twee gouden pennen in houders die fier omhoog steken. Met begripvolle blik hoort hij het verhaal aan. ‘In Europa kun je de juiste hulp krijgen’, zegt hij dan beslist.

Hoge golven

Aan de wand hangt een scherm dat verbonden is met de laptop van Abu Saif. Hij klikt op een kaartje en zoomt in op de kustlijn ten noorden van Izmir. ‘We maken soms de overtocht vanaf dit punt’, hij beweegt de muis naar het dorpje Behram. ‘Dat is vier uur rijden hiervandaan. Of we gaan naar hier’, hij klikt op het plaatsje Cumhurriyet, ‘dat is twee uur rijden.’
‘Dat maakt me niet uit’, zegt de man in de rolstoel. ‘Waar ik mij zorgen om maak zijn de golven.’
Geen zorgen, de golven zijn gunstig vannacht, verzekert Abu Saif hem. ‘Als de golven hoog zijn dan gaan we niet eens. Dan stellen we de reis uit.’
‘Het is allemaal in handen van Allah’, zegt de man in de rolstoel.

De mensensmokkelaar wordt vaak neergezet als een gewetenloze schurk die er hoogstpersoonlijk voor verantwoordelijk is dat grote aantallen migranten uit het Midden-Oosten en Afrika het Europese vasteland weten te bereiken. Het beeld van de mensensmokkelaar is vaak karikaturaal: met dollartekens in zijn ogen dwingt de crimineel veel te veel zielige vluchtelingen op veel te kleine bootjes, ongeïnteresseerd of zij levend de overkant halen of niet. In de praktijk is de scheidslijn tussen goed en kwaad vaak niet met watervaste stift te trekken.

Smokkelaars zijn er in vele gradaties. Velen zijn zelf ook vluchteling of in elk geval migrant. Zeker: er wordt doorgaans grof geld verdiend aan andermans leed. De markt voor mensensmokkel vertoont veel overeenkomsten met de drugshandel. Maar er is ook een groot verschil: in het geval van mensensmokkel wil de getransporteerde waar, namelijk de migrant, zelf ook graag worden gesmokkeld. Dat geeft mensensmokkelaars de kans om hun illegale acties goed te praten: zij leveren gewoon een dienst waar veel vraag naar is. Sommigen zien zichzelf zelfs als helper van mensen in nood.
Via Facebook leggen we contact met smokkelaars die online hun diensten aanbieden. Op sociale media wordt er in het Arabisch verbazingwekkend openlijk geadverteerd met valse papieren en bootreizen. Vaak staan er als lokkertje foto’s bij van luxe jachten. Veel smokkelaars zetten hun telefoonnummer gewoon in de advertentie.

Niet alle smokkelaars die we aan de lijn krijgen, zijn happig op journalisten. Ze vertrouwen het niet, denken dat ze met de politie van doen hebben. Sommigen vertellen wel kort iets over hun werkwijze, maar staan niet te springen om een ontmoeting.
Abu Saif is aanvankelijk ook terughoudend. Maar na een tijdje zegt hij dat we welkom zijn op zijn kantoor in Izmir. Hij heeft niks te verbergen, zegt hij. ‘Ik weet van mezelf dat ik zuiver ben. Ik ben geen huichelaar en houd niemand voor de gek. Dus waar moet ik bang voor zijn?’
Zijn enige voorwaarde is dat zijn gezicht niet vol in beeld komt en dat we niet zijn officiële naam vermelden, om problemen met de Turkse politie te voorkomen. Daarom heet hij in dit stuk Abu Saif – Arabisch voor ‘vader van Saif’ –, de naam waarmee hij op Facebook adverteert en zoals zijn klanten en kennissen in het Turkse Izmir hem kennen.

Dunne matrasjes

In de nachten dat er boten vertrekken, slaapt Abu Saif niet. Dan zit hij in zijn eentje thuis op de bank met zijn smartphone in de ene hand en een schaal dadels in de andere. Op het schermpje volgt hij het gps-signaal van ‘zijn’ reis.
Het appartement waar hij verblijft, ligt vlak achter de boulevard van Izmir, in een buurt waar transseksuele prostituees op naaldhakken hun diensten aanbieden aan passerende automobilisten.
Binnen liggen in de slaapkamers dunne matrasjes op de vloer. ‘Ik gebruik dit ook als een safehouse’, legt Abu Saif uit. ‘Als klanten geen onderdak hebben, verblijven ze voor ze vertrekken soms een paar nachten hier. Dan ga ik naar mijn andere appartement in Izmir, daar komt nooit iemand behalve ikzelf.’

Hij is zichtbaar nerveus. Deze nacht vertrekt er een boot met volgens Abu Saif 2 Jemenieten en 33 Syriërs aan boord. Opeens krijgt hij een telefoontje van een handlanger: er patrouilleert politie op het vertrekpunt bij Cumhurriyet. Ze moeten doorrijden naar het noordelijker gelegen vertrekpunt. Dit wordt een latertje.
Abu Saif laat zich bewust niet zien bij het vertrekpunt. Hij werft de klanten en zet ze in Izmir op de taxi. Een Turk regelt de boten, weer een ander rijdt het busje. Van de Turkse politie ondervinden ze weinig hinder, zegt hij. ‘Als ze een klant pakken en die wijst mij aan, zou ik vijftien jaar de cel in kunnen gaan. Maar dat gebeurt niet. Een keer werd ik aangehouden toen ik mensen op de taxi zette. Ik was de enige die bleef staan toen alle taxi’s waren vertrokken. Ik moest mee naar het politiebureau. Heb daar een half uur vragen beantwoord, alles ontkend. Ik zei: ik nam afscheid van Syrische vrienden. Er was geen bewijs. De agent zei: ik weet dat jij smokkelaar bent, maar zorg dat je niemand op-
licht, dan heb je geen last van ons.’

De tweede keer dat de politie hem in het vizier had, was in oktober. ‘Ik werd aangehouden met de auto, ik zat nota bene naast de Turkse baas, naast de grote vis! Maar ze verdachten mij. Toen heeft de Turk mij eruit gepraat, van: dit is een vriend van me uit Syrië, we zijn onderweg naar het casino. En ze lieten me gaan.’
De Turkse onderwereld heeft in feite de hele westkust onderverdeeld in territoria, legt Abu Saif uit. ‘Iedere Turkse baas heeft zijn eigen vertrekpunt. Maar een Turk kan niet communiceren met Syrische vluchtelingen, daarom werken ze samen met iemand zoals ik. Syriërs boeken hun reis bij een Syriër. Maar bijvoorbeeld een Afghaan zal een Syriër nooit vertrouwen. Dus je hebt Afghaanse smokkelaars die bootreizen voor Afghanen organiseren.’ Van elke 900 dollar voor een bootreis, krijgt Abu Saif er 200, zegt hij. ‘De rest gaat naar de Turk.’

Het is na vieren, de telefoon rinkelt. De boot is al onderweg! ‘Waarom heb je me dat niet eerder laten weten?’, zegt Abu Saif bozig. De daaropvolgende anderhalf uur belt hij om de haverklap met het Jemenitische stel aan boord. ‘Is iedereen rustig? Loopt er nog geen water in de boot?’
Het duurt lang dit keer. ‘Ik maak me zorgen’, zegt Abu Saif. Hij probeert contact te krijgen, vangt een paar keer een Turkse voicemail. ‘Hoeveel batterij heb je nog?’, vraagt hij daarna als hij de Jemeniet weer aan de lijn heeft. Hij moet zijn telefoon sparen voor noodgevallen, zegt Abu Saif. Om half zes in de ochtend komt het verlossende bericht. De boot heeft Lesbos ge-
haald, iedereen is veilig in Europa.

Geveld door autobom

Het had niet veel gescheeld of Abu Saif had zelf als asielzoeker in Europa aangeklopt. Achter zijn bureau hangt een afbeelding van de vlag van het Vrije Syrische Leger. Abu Saif sloot zich in 2011 bij hen aan in de hoofdstad Damascus, vertelt hij. Ze vochten voor het vertrek van dictator Assad. Trots laat hij de filmpjes zien op YouTube. ‘Kijk, hier schiet ik een kanon af.’ Op andere video’s paradeert hij onder de rebellenvlag en beschiet hij met zijn broers als sluipschutters de mannen van Assad.
Maar in 2013 wordt een checkpoint van het Vrije Syrische Leger aangevallen door IS. ‘Een autobom ontplofte op twee meter van mij’, zegt Abu Saif. Hij ziet zijn maten door de lucht vliegen. De meesten overleven het niet. Zelf raakt hij zwaargewond. ‘Hier, je kunt het litteken nog zien.’ Hij trekt zijn overhemd omhoog, er loopt een grote streep over zijn buik.

Een ambulance brengt hem met spoed naar een Turks ziekenhuis vlak over de grens. ‘Ik ben daar geopereerd en nooit meer teruggegaan naar Syrië.’ Met zijn vrouw en dochters komt hij uiteindelijk in Istanbul terecht.
Abu Saif zoekt baantjes. Hij werkt met glasvezel, bijvoorbeeld voor autoreparaties, zoals hij voor de oorlog ook in Syrië deed. Maar hij ziet weinig toekomst voor zijn gezin in Turkije. Syrische kinderen worden niet toegelaten op Turkse scholen. En Syriërs krijgen in Turkije slecht betaald. Samen met zijn vrouw maakt hij daarom begin 2014 plannen om naar Europa te gaan.
Via Facebook komt hij in contact met een smokkelaar in Izmir. ‘Ik had 600 dollar, dat was niet genoeg.’ De smokkelaar weet het goed gemaakt: als Abu Saif een groep van veertig mensen bij elkaar krijgt voor de reis, mag zijn gezin gratis mee op de boot.
‘Ik legde contacten via social media en via vrienden. Binnen tien dagen had ik een groep van veertig compleet.’ Het is de eerste keer dat hij klanten ronselt voor een boottrip. ‘Ik kan goed praten, ik ben zelfverzekerd en heel sociaal.’
Toch gaat de trip mis. ‘De smokkelaar zei steeds: jullie vertrekken morgen. En dan gingen we niet. Zo kregen we acht dagen lang praatjes te horen.’
Dan ontdekt de groep reizigers wat Abu Saif achter hun rug om voor zijn gezin heeft geregeld. Ze voelen zich bedrogen. Zonder hem gaan ze in zee met een andere smokkelaar, Abu Leit. Achteraf hoort Abu Saif dat hun boot goed is aangekomen in Griekenland.
Dus zoekt Abu Saif contact met Abu Leit. ‘Hij zei: vooruit, als jij de boot kunt besturen, mag je gratis mee.’

Gesnapt

Niet veel later stapt hij met vrouw en kinderen aan boord. ‘Het was de eerste keer dat ik een boot voer, ik moest me sterk houden. Toch ging ik in een rechte lijn.’
Op 500 meter van de Griekse kust worden ze gesnapt. ‘Een Griekse patrouille kieperde onze motor in het water. Ze sleepten ons bootje terug naar Turkse wateren en vertrokken.’ Daar liggen ze dan. ‘We belden de Turkse kustwacht, maar het duurde en het duurde. Er begon water in onze boot te lopen, het was vreselijk. De jongens die konden zwemmen, sprongen in zee. We hebben tassen in het water gegooid om lichter te zijn, ook de tas waarin mijn laatste 200 dollar zat. Pas na twee uur werden we door de kustwacht gered.’ Vier dagen slapen ze in Izmir op kartonnen dozen in het park. ‘Ik kan je niet uitleggen hoe verschrikkelijk dat was.’ Om geld te verdienen werkt Abu Saif als afwasser. ‘Voor 15 dollar de hele dag sloven, van
’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.’
De ommekeer komt als een groepje vrienden uit Syrië hem belt. Ze willen naar Europa. ‘Ze zeiden: jij kent Izmir, jij weet vast bij wie we moeten zijn voor de beste bootreis.’ Hij brengt hen in contact met smokkelaar Abu Leit. Die is dankbaar voor zijn nieuwe klanten. ‘Hij zei: weet je wat, ik geef je 100 dollar voor elke vriend die je aanlevert. Die dag verdiende ik in één klap 500 dollar.’
Abu Saif neemt ontslag als afwasser. Voortaan is hij smokkelaar.

Een zwemvest moet

De man in de rolstoel wil van Abu Saif weten hoe ze dat gaan doen onderweg, met die rolstoel. ‘Je kunt hem inklappen’, zegt hij. Hij houdt zijn handen 20 centimeter uit elkaar. ‘Dan is hij nog maar zo breed.’ Het komt wel goed, stelt Abu Saif hem gerust. ‘We hebben wel vaker rolstoelen in de boot gehad. Vanaf de aankomst op het eiland is het nog een meter of 300 lopen naar de weg, maar iedereen zal je willen helpen.’
Ligt daar dan zand, wil de man weten. En even later: ‘Ach, het kan me ook niet schelen. Moge Allah je belonen.’
Bij dit werk heb je mensen nodig op de route die God vrezen, vindt Abu Saif. ‘Want als je de ellende van de mensen ziet, moet je niet aan geld denken.’ Zelf vindt Abu Saif niet dat hij iets verkeerds doet, integendeel. ‘Ik help mijn landgenoten. Zij willen naar Europa, zij komen naar mij toe, ik dwing niemand op een boot te stappen.’
Veel smokkelaars zien mensen als dollars, zegt Abu Saif. ‘Die laten reizen doorgaan terwijl ze weten dat de golven heel hoog zijn. Als smokkelaar hoor je te weten hoe het weer is. Ik ga alleen als ik zeker weet dat het weer oké is.’ Daarvoor heeft hij een app op zijn telefoon. Die heet SeaConditions.

Hij hoeft echt niet het onderste uit de kan, zegt hij. Voor de man in de rolstoel maakt hij bijvoorbeeld een speciale prijs. Normaal kost de trip 900 dollar. De man in de rolstoel mag voor 700 dollar mee.
‘Tot aan morgen zijn de golven sowieso goed’, zegt Abu Saif tegen hem. ‘Ik raad je daarom aan vanavond te vertrekken.’
‘Moet ik dan nog een zwemvest kopen?’, vraagt de man in de rolstoel.
‘Dat kun je hier beneden doen’, zegt Abu Saif. ‘Je moet echt een zwemvest hebben ja.’
De man in de rolstoel vindt het niet zo nodig. ‘Als ik verdrink, dan verdrink ik maar.’
Abu Saif, onverbiddelijk: ‘Je moet een zwemvest, anders mag je niet op de boot. Je hebt een zoon, denk daaraan. En een dochtertje onderweg. Als je het niet kan betalen, koop ik er een voor je.’

Abu Saif gaat er prat op dat er nog nooit iemand is verdronken die via hem een bootreis naar Griekenland heeft geboekt. ‘Er zijn maar twee redenen waarom een boot zinkt. Eén: de golven zijn te hoog. Twee: de boot is overvol. Daarom gaat er op mijn reizen niks mis. Want als de golven te hoog zijn gaan we niet, en als men meer dan 35 personen in een boot wil stouwen, dan laat ik mijn tussenpersoon de klanten terugtrekken.’ Of dat waar is, is niet te verifiëren.
In september liet hij zelfs zijn hoogzwangere vrouw met hun twee kinderen aan boord stappen. Ze kwamen volgens plan in Duitsland aan. Op het wandscherm in zijn kantoortje laat hij Facebookfoto’s zien van zijn dochters van 5 en 2, zo te zien in een Duits asielzoekerscentrum. ‘Hun toekomst vind ik belangrijk.’
Dan klikt hij op een filmpje van een twee weken oude baby. Zijn vrouw houdt hun zoontje lachend vast. Saifeddine heet het jongetje. Abu Saif heeft hem alleen nog maar via beeldschermen gezien. ‘Ik mis mijn kinderen’, zegt hij. ‘Uiteindelijk wil ik ook naar Duitsland. Maar niet nu. Mijn werk hier loopt goed. Waarom zou ik daarheen gaan om te moeten leven van de staat als ik hier soms 5.000 of 6.000 dollar op een dag kan verdienen? ’
En hij heeft nog een andere reden om niet naar Duitsland te willen. ‘Ik ben op mijn 21ste getrouwd, maar eerlijk gezegd hou ik niet écht van haar. Ik heb mijn vrouw ook naar Duitsland gestuurd omdat mijn gevoel voor haar niet echt is. Ik ben zes jaar getrouwd, maar niet gelukkig. Ik kan haar nu niet verlaten, dan gaat ze kapot. Dan kies ik er liever voor een eigen leven te leiden, naast mijn huwelijk.’ Op YouTube zet Abu Saif een romantische ballad op van de Turkse zanger Mustafa Ceceli. Hij leunt achterover in zijn bureaustoel, tikt met een zilveren brievenopener tegen zijn wang. ‘Dit liedje doet me altijd aan mijn schatje in Istanbul denken. Ik had daar een meisje, maar ik ben haar nummer kwijtgeraakt en ik kan haar niet terugvinden op Facebook. Ik mis haar
verschrikkelijk.’

Abu Saif wordt gebeld door handlangers, bij beide vertrekpunten is vandaag veel politie gesignaleerd. Hij besluit de reis van komende nacht te annuleren.
Het komt hem eigenlijk wel goed uit dat hij vannacht geen reis heeft, zegt Abu Saif. ‘Ik voel me meteen een stuk relaxter, nu ik niet in de stress hoef te zitten of de boot wel aankomt.’

Die andere smokkelaars

Hij trekt zijn grijze colbertje aan, spuit wat aftershave op. Hij wil zijn Nederlandse ge-
zelschap meenemen naar een restaurant aan zee. ‘Weet je, ik heb eigenlijk in Izmir niemand met wie ik dit soort dingen kan doen’, zegt hij tijdens het eten. ‘Ik ben echt blij dat jullie hier zijn.’
Zijn familie is door de oorlog uit elkaar gevallen. Zijn vader is overleden. Een broer werd drie jaar geleden door het leger van Assad opgepakt en nooit meer teruggezien. Een andere broer zit in Istanbul, zijn moeder 600 kilometer verderop in Ankara.

Hij werkt heel de dag en heeft dan alleen contact met mensen die op reis gaan. ‘Daarna kom ik thuis en voel ik me eenzaam. Ik heb geen vrienden hier in Izmir. Degenen met wie ik bevriend zou moeten raken, zijn de andere smokkelaars. Maar dat zijn meestal types die al hun geld opmaken aan drank en vrouwen, het is niet het soort mensen met wie ik wil omgaan.’ Als de rekening komt, is Abu Saif zelfs wat teleurgesteld. ‘Willen jullie echt nu al naar huis? We zitten net lekker.’ Het is half vier ’s nachts. De zelfverzekerde smokkelaar die vanmiddag op zijn kantoortje nog op zijn rekenmachine becijferde dat hij in een goede maand 20.000 dollar winst maakt, ziet er nu tegenop om alleen terug te keren naar zijn driekamerapparte-
ment.

Achter de boulevard drentelen twee magere straathonden tussen de opengebarsten vuilniszakken, op zoek naar een lekker hapje. Abu Saif kijkt naar hun gesnuffel. Hij heeft er ook aan zitten denken om een hond te nemen, zegt hij. ‘Dan heb je altijd iemand die je gezelschap houdt.’

De meeste Iraniërs vinden mij via Facebook. Ik vraag
1.200 dollar voor de reis, dus ja, ik heb een goed leven

Een Afghaan in een grijze joggingbroek staat te pompen of zijn leven ervan afhangt. De rubberboot voor hem in het zand zwelt langzaam op. In de idyllische baai schittert de kraakheldere Egeïsche zee in het
zonlicht. Vlakbij ligt Cesme, een luxebadplaats waar de Turkse jetset in het weekend komt feesten met cocktails aan het strand. Maar hier op het strandje van Ciftlik Koyu heerst chaos.
Honderden vluchtelingen zijn hier door hun mensensmokkelaar gedropt, bij een heuvel waar rondom een kitscherig kasteel tientallen onvoltooide vakantiehuisjes staan. De plek staat lokaal bekend als het ‘nooit afgebouwde Duitse resort’. In plaats van toeristen hebben migranten nu hun intrek genomen in de cascohuizen, in afwachting van hun vertrek naar het Griekse eiland Chios.

Het terrein ligt bezaaid met in de haast achtergelaten spullen. Een rode beha, een aspirineverpakking, een luier, een afgescheurd Iraans bankbiljet. En de lege doos van een 30pk-buitenboordmotor.
Afgelopen weekend sloten de Europese Unie en Turkije een akkoord om de migrantenstroom naar Europa te beteugelen. In ruil voor onder meer 3 miljard euro hulpgeld beloofde Turkije de eigen grenzen strakker te gaan bewaken.
Maandag volgde een eerste politieactie om die afspraken kracht bij te zetten. Bij één vertrekpunt aan de Turkse westkust werden toen 1.300 migranten en vier smokkelaars opgepakt. Een nogal symbolische actie: volgens Griekse cijfers bereikten diezelfde dag 4.700 migranten gewoon de Griekse eilanden, net iets meer nog dan het daggemiddelde van de maand november.
Het lijkt ook onbegonnen werk: de rotsachtige Turkse westkust bestaat uit honderden kilometers met verstopte idyllische baaitjes vanwaar bootjes prima kunnen vertrekken. Zoals op het strandje bij Cesme, waar je de Griekse heuvels kunt zien liggen en niemand de migranten en hun smokkelaars een strobreed in de weg legt. Op het kalme water is zover als het oog reikt het enige teken van leven een eenzame visser in een roodwit bootje.

Veevervoer

Een groep Afghanen maakt zich op voor vertrek. Kinderen worden in oranje reddingsvestjes gewurmd, overtollige kleding wordt in zwarte vuilniszakken gepropt. Een meisje van een jaar of 8 klemt een Dora-pop stevig onder haar arm. De migrant die zometeen de boot moet besturen – smokkelaars gaan zelf niet mee de zee op – vaart een proefrondje door de branding om te leren hoe de motor werkt. Even later worden de mensen onder luid geschreeuw door ‘proppers’ de boot in geduwd en gesleurd. Eén zo’n propper in zwembroek staat in het water en duwt lomp tegen de forse achterwerken van gesluierde vrouwen. Kinderen worden over de hoofden heen het vaartuig ingeworpen.
‘Het lijkt wel veevervoer’, zegt Razeeq Adeel, een Afghaan met een wat pokdalig gezicht, die staat toe te kijken. Hij is hier nu twee dagen. ‘Wanneer ik vertrek? Dat is niet aan mij. Ik wacht op een telefoontje van onze smokkelaar. Ze bellen wanneer onze boot gaat. Maar ik vertrouw het niet helemaal. Eerst was het: jullie gaan vannacht. Daarna: jullie gaan morgen. Maar je ziet, we zijn hier nog steeds.’

Adeel heeft 1.000 dollar betaald voor een bootreis aan een smokkelaar in Istanbul, op ruim acht uur rijden hiervandaan. De smokkelorganisatie regelde het busvervoer hiernaartoe. ‘We hadden deze afgelegen plek nooit zelf kunnen vinden’, zegt Adeel.
De aankoop van een reis gebeurt meestal in de steden, in Istanbul of Izmir. Smokkelaars in Izmir vertellen hoe het werkt: de Turkse onderwereld heeft de kustlijn opgedeeld in verschillende territoria en iedere smokkelaar heeft zijn eigen vertrekpunt voor de bootjes. Vanuit de stad brengen taxi’s en busjes de klanten naar de juiste plek. Het is dan vaak maar een uurtje varen naar Griekse eilanden als Kos, Samos, Lesbos of Chios.
Omdat Turkse mensensmokkelaars zichzelf niet verstaanbaar kunnen maken bij Arabisch sprekende Syriërs en Irakezen of in Dari communicerende Afghanen, werken de Turken meestal samen met smokkelaars die zelf uit de desbetreffende landen afkomstig zijn. Zij werven via Facebook, op straat en via hun netwerk de klanten, in ruil voor een percentage van de reissom.

Merkgympen

Het vertrekpunt bij het verlaten Duitse resort is het werkterrein van Afghaanse en Iraanse smokkelaars. ‘Onze smokkelaar komt uit Afghanistan, maar hij laat zich hier liever niet zien’, zegt Adeel.
Een Iraanse smokkelaar voelt minder schroom. Hij komt het strand oplopen met een groep zo te zien welgestelde Iraniërs op merkgympen en met gloednieuwe backpacks op hun rug. Zelf loopt de smokkelaar erbij als een drugsbaron uit een tv-serie. Hij draagt een zonnebril met spiegelglazen, een baret en leren gaatjesschoenen die zo spierwit zijn dat ze licht lijken te geven.
‘Ik woon in Izmir en daar verkoop ik reizen aan mensen die naar Europa willen’, zegt de smokkelaar, die zijn naam niet wil vertellen. ‘De meeste Iraniërs vinden mij via Facebook. Ik breng ze hierheen, en een vriendje van me daar verderop regelt de boot.’ Glunderend stelt hij vast: ‘Ik vraag 1.200 dollar voor de reis, dus ja, ik heb een goed leven.’
De rubberboot puilt inmiddels uit. Er zitten meer dan veertig mensen op, de drijvers liggen diep in het water. Ruzie. De ene propper schreeuwt tegen de andere en duwt een vader met zoon en een Afghaanse vrouw over de rand het water in. Dat leidt tot woede bij de andere propper, die volgens vertalende omstanders schreeuwt dat deze vrouw nu al voor de tweede keer vandaag uit de boot wordt gekieperd. Hij duwt zijn klanten terug de boot op en wordt daarbij bijna naar de keel gevlogen door zijn collega.

Er wordt gas gegeven terwijl de Afghaanse vrouw nog buitenboord bungelt. Ze wordt door andere reizigers aan haar armen binnen gesleurd. De proppers springen vanaf de boot de zee in en ruziën op het strand nog even verder. Het Afghaanse meisje blijkt in alle commotie haar pop verloren. Dora dobbert eenzaam in de branding.
Niet veel later worden de proppers door een taxi opgehaald. Hun werkdag zit erop. In het centrum van Cesme, de ruzies zijn inmiddels bijgelegd, vertellen de drie Afghaanse jongens ’s avonds in basaal Turks dat ze dagelijks vier of vijf boottochten ‘begeleiden’ bij vertrek, zowel ’s nachts als overdag. ‘Wij helpen de mensen’, praat een van de jongens hun hardhandige aanpak goed. ‘Zonder ons zouden de reizigers verdrinken bij het instappen.’
Er is hun door de smokkelorganisatie
2.000 dollar in het vooruitzicht gesteld voor acht dagen werk. Vooralsnog hebben de drie nog geen salaris gezien. Maar hun bestemming staat al vast. ‘Zodra we het geld hebben, nemen we zelf ook de boot naar Europa.’

Sociale tijdbom

Elke ochtend smeken Rizkar (10) en Osama (8) hun moeder om niet te gaan werken. Ze horen haar de deur op slot draaien en via het smalle trappetje wegstappen. De broertjes weten dan dat ze weer een dag met zijn tweeën opgesloten zullen zitten in dit slordig geschilderde tweekamerappartementje met matrasjes op de vloer. De enige onderbreking van de lethargie komt van de oude televisie in de hoek van de kamer. Hun moeder, Nazmiye Kulu (35), schept zeven dagen per week broodjes shoarma en serveert de gasten van Elvis Döner blikjes cola aan hun formica tafeltjes. Soms krijgen Rizkar enOsama telefoon van haar, als er even geen klanten zijn. Dan instrueert ze Rizkar wat hij moet opwarmen als avondeten. En controleert ze of de jongens wel genoeg drinken. Haar twee dochters, Silva van 14 en Sousan van 13, zijn ondertussen aan het werk in een naaiatelier.Daar knippen ze loshangende draadjes van kleding bij of vegen ze de vloer. Nazmiye vertelt over haar leven aan het einde van haar werkdag bij Elvis Dö- ner. Eerst wil ze haar huis liever niet laten zien. Achter haar brede glimlach ligt schaamte verscholen. Later, als ze toch op blote voeten voorgaat haar appartementje binnen, blijktwaarom ze zich geneert. Het is bijna half elf in de avond en haar dochter van 13 is nog altijd niet thuisgekomen uit het naaiatelier. ‘Ze beginnen om acht uur ’s ochtends daar.Dit is toch onmenselijk?’ Dit is het leven van een Syrisch vluchtelingengezin in Turkije. Dit is de ‘opvang in de regio’, waarvan Europese politici hun mond zo vol hebben. Ja, deze familie heeft te eten en een dak boven haar hoofd. En nee, Nazmiye hoeft niet te vrezen dat er in haar straat in Izmir een autobom ontploft.

Droom ver weg

Waarom zijn zoveel Syriërs inTurkije dan toch bereid hun leven te wagen op een bootje naarGriekenland? Alsje die vraag stelt aan families in de Turkse kuststad Izmir, geven Syrische ouders bijna allemaal hetzelfde antwoord: ze willen dat hun kinderen naar school gaan.Dat lukt in Turkije niet. In Izmir zie je daarom op veel plekken kinderen aanhetwerk. Ze serveren koffie, verkopen ballonnen en hoesjes die telefoonsdrooghouden tijdenseenbootreis, of houden op straat hun hand op. Toen ze met haar man Mhamad Osman nog in het Syrische Aleppo woonde, stelde Nazmiye zich voor dat hun kinderen later naar de universiteit zouden gaan. Die droom is nu ver weg. Ze probeerde haar kinderen in te schrijven op scholen in Izmir, maar ze werd weggestuurd. Geen plek.

‘Mijn jongens zijn analfabeet, de jongste kan zijn eigen naam nog niet eens schrijven. Wat moet er van zijn toekomst terechtkomen?’, vraagt Nazmiye zich af. ‘Als een mens niet leert, wat is dan nog het verschil met een dier?’
Ruim vierhonderdduizend Syrische kinderen zoals Rizkar en Osama en hun zussen blijven in Turkije verstoken van onderwijs, becijfert Human Rights Watch in een rapport dat vorige maand verscheen. Het is een sociale tijdbom, signaleert de ngo: kinderen die niet naar school gaan zijn gevoelig voor ronselpraktijken van gewapende bendes, worden sneller uitgehuwelijkt en hebben in het algemeen geen rooskleurig toekomstperspectief.

Bureaucratische drempels Theoretisch zou dat onderwijs in Turkije allang geregeld moeten zijn. Vorig jaar
heeft de Turkse regering in officieel beleid vastgelegd dat Syrische kinderen toegang hebben tot Turkse openbare scholen. In oktober kwam het ministerie met de doelstelling dat eind van dit schooljaar 370 duizend Syrische kinderen onderwijs moeten krijgen, bijna twee keer zoveel als nu.
Maar volgens Human Rights Watch moet er dan heel wat veranderen. Want nu worden Syrische ouders soms weggestuurd omdat er geen plek zou zijn op school of omdat hun kinderen geen Turks spreken. En erzijnallerleibureaucratische drempels.
Zo kregen Nazmiye en Mhamad onlangs te horen dat hun kinderen pas onderwijs kunnen krijgen als ze beschikken over papieren die bewijzen dat zij als vluchteling in Izmir leven. ‘We hebben die papieren al voor een andere plek in Turkije, maar niet voor Izmir’, zegt Mhamad. ‘En de gemeente hier verstrekt maar tien documenten per dag. Dan zouden we dus wekenlang in de rij moeten gaan zitten op het gemeentehuis. Maar dat kan niet, want als we niet werken hebben we niks te eten.’
De Europese Unie heeft Turkije vorig weekend 3 miljard euro ontwikkelingsgeld beloofd als het zijn zeegrenzen beter gaat bewaken en illegale migranten terugneemt die Europa desondanks toch bereiken. De praktijk zal moeten uitwijzen of die middelen ook op de goede plek terechtkomen. Als het geld niet wordt gebruikt om onderwijs te organiseren voor vluchtelingenkinderen, zullen de migranten naar de EU blijven

Nazmiye vertelt over haar leven aan heteindevanhaarwerkdagbij Elvis Döner. Eerst wil ze haar huis liever niet laten zien. Achter haar brede glimlach ligt schaamte verscholen. Later, als ze toch op blote voeten voorgaat haar appartementje binnen, blijkt waarom ze zich gekomen.
Eerlijk gezegd willen Nazmiye en Mha- mad helemaal niet naar Europa. ‘Wat moeten wij daar?’, vraagt Nazmiye zich af. ‘Mijn ouders wonen nog in Syrië. Ik blijf liever in Turkije, dan ben ik dichter bij hen. En als de situatie verbetert, gaan we terug om ons land op te bouwen.’ Toch spookt nu soms de gedachte door haar hoofd om wél te gaan, al is ze doods- benauwd voor de tocht over zee.
Nazmiye laat op haar telefoon foto’s zien van haar familie. ‘Mijn zus zit nu in Oostenrijk. Haar kinderen gaan wel naar school.’
Voorlopig is een bootreis helemaal geen optie, want Mhamad en Nazmiye hebben amper geld om in Izmir het hoofd boven water te houden. Ze werken allebei 12 uur per dag, zeven dagen per week. Nazmiye krijgt 16 euro per dag, on- geveer de helft van het salaris dat een Turk verdient voor hetzelfde werk. Ze kunnen net de huur van hun apparte- mentje betalen en hun vier kinderen voeden.
‘Ik wil eigenlijk wel naar school’, zegt Rizkar dan ineens verlegen. Vader Mha- mad wijst richting de straat. ‘Mijn zoon- tjes zien ’s ochtends de Turkse kinderen hier in hun schooluniformpjes voorbij lopen. Daar zouden zij ook graag bij wil- len horen.’

 

De louche praktijken van de Facebooksmokkelaars

Mensensmokkelaars in Turkije gebruiken sociale media om aan klanten
te komen. Ook bouwen ze er aan hun imago: ‘Jullie veiligheid is ons motto.’

Door

Sakir Khader en Anneke Stofelen namens http://www.volkskrant.nl/buitenland/de-louche-praktijken-van-de-facebooksmokkelaar~a4179298/

Wij bieden een toeristenjacht aan. Vanuit Istanbul naar Griekenland. Twintig minuten vanaf het vertrekpunt tot aan het Griekse Mitelini. Enkel voor de serieus geïnteresseerde.’ Onder de tekst en telefoonnummers staat een foto van een blits jacht dat door de azuurblauwe zee scheert.
Een andere oproep op Facebook in het Arabisch: ‘De beste rubberenbootreis vanuit Istanbul. Echt een prachtige reis.’ Kosten: 1.300 dollar per persoon, ‘speciale prijs voor groepjes’.

Wie een boottocht te lang vindt duren, kan ook met een jetski naar de overkant worden gebracht, in tien minuten, zo is het verhaal. Wel tien dure minuten: 2.300 euro per persoon.
Sommige aanbieders hebben speciale kinderkorting: tot 4 jaar gratis, tot 12 jaar voor de helft van het geld.
Laat je de exorbitante prijzen weg, dan zou je bijna kunnen denken dat het hier om vrolijke vakantiereizen gaat. Maar met deze advertenties, afgelopen weken op Facebook gevonden, werven smokkelaars in Turkije migranten voor een overtocht van de Egeïsche kust naar de Griekse eilanden.
Sociale media spelen een steeds belangrijkere rol in de wereld van de mensensmokkelaars, zegt de Italiaanse criminoloog Andrea Di Nicola, die zich heeft gespecialiseerd in de handelwijze van smokkelnetwerken. ‘Dat is iets van de laatste twee jaar.
Vooral Facebook wordt ongelooflijk veel gebruikt. Dat is ook logisch, uiteindelijk zijn smokkelaars ook gewoon ondernemers die hun diensten willen slijten. De voordelen van sociale media zijn duidelijk: je hebt wereldwijd bereik, het kan snel en anoniem.’
Smokkelaar Abdul Aziz, werkzaam vanaf de Libische kust, vertelde dit voorjaar aan de BBC dat hij dagelijks via Facebook tien tot twintig keer wordt benaderd over zijn reisaanbod. ‘Tot 2012 deden we helemaal niet aan sociale media. Nu bepalen ze 30 tot 40 procent van mijn omzet.’

Ook Europol, de Europese politiedienst die de werving door mensensmokkelaars op internet moet tegengaan, ziet dat sociale media veelvuldig worden gebruikt om trips aan te bieden. ‘Sommige accounts zien er hetzelfde uit als die met de aanbiedingen van normale reisbureaus’, aldus een woordvoerster. Er worden volgens haar op het web veel ‘onrealistische, zogenaamd veilige trips’ naar de Europese kusten aangeboden.
‘Jullie veiligheid is ons motto en jullie aankomst ons doel’, schrijft bijvoorbeeld een anonieme smokkelaar die opereert onder het Facebookaccount ‘Smokkel vanuit Turkije naar de meeste Europese landen’. ‘Er is ook een super-de-luxe jacht van twee verdiepingen beschikbaar.’

Nep

‘Die jachten zijn natuurlijk nep’, zegt Abu Zain, een Syrische smokkelaar uit Istanbul, over de telefoon tegen de Volkskrant. ‘Je gaat niet met het jacht adverteren waarmee je de volgende dag vertrekt. Dan word je gepakt.’ Zelf verspreidt hij via Facebook zijn telefoonnummer en de prijzen voor de diverse trips die hij aanbiedt. ‘Groepen vanaf tien personen krijgen
100 dollar korting per persoon.’ Ook deelt hij online de ervaringen van eerdere, tevreden klanten.
Europol werkt met twee gespecialiseerde teams die op het web het werk van smokkelaars monitoren en analyseren. Wervende advertenties gericht op illegale migratie worden doorgestuurd naar de verantwoordelijke mediabedrijven zoals Facebook, om ze te laten verwijderen. Maar het is vechten tegen de bierkaai. Er verschijnen voortdurend nieuwe accounts. ‘Ook de waaier aan gebruikte talen maakt de bestrijding ingewikkeld’, aldus de Europol-woordvoerster.
Angst om gepakt te worden, lijkt er online nauwelijks te zijn. Smokkelaars delen openlijk telefoonnummers en soms ook hun volledige naam. ‘De Turkse overheid zit ons niet echt op de hielen’, vertelt de Syriër Abu Saïf telefonisch vanuit het Turkse Izmir. Hij helpt landgenoten de oversteek te maken naar Griekenland. ‘De autoriteiten weten en zien alles. Maar ze pakken je alleen op als ze je op heterdaad betrappen. Anders niet.’

De beste reis met rubberen boot vanuit Istanbul. Echt prachtig. Voor 1.300 dollar!

Saïf gebruikt sociale media niet zozeer om mensen te trekken. ‘Ik kom altijd aan mijn klanten via personen die al bij me zijn geweest.’ Het interview wordt onderbroken door inkomende telefoongesprekken. ‘Ook weer mensen die via via mijn naam hebben gekregen’, zegt hij nadat hij een potentiële klant te woord heeft gestaan. ‘Ze komen op aanraden van mensen die bij mij de oversteek hebben gemaakt. Mijn naam is belangrijk.’
En juist daarvoor gebruikt Abu Saïf Facebook: als middel om zijn imago te bevestigen, zodat migranten die van anderen zijn naam hebben gekregen, kunnen zien dat het bij hem wel goed zit. Op zijn Facebook-account staan filmpjes van vluchtelingen die met hun rubberboot zijn aangekomen op Lesbos. Duimen gaan de lucht in. ‘Allemaal naar Abu Saïf!’, roepen de migranten, opgelucht dat ze de overkant hebben gehaald.
Zoals horecaondernemers op restaurantsite Iens of hotelsite Booking.com het moeten hebben van positieve recensies, zo geldt dat eigenlijk ook voor smokkelaars online. Een anonieme smokkelaar post een selfie van drie jongens die de Griekse kust hebben bereikt, ze hebben hun rode zwemvest nog aan. ‘En hier, de jongens zijn aangekomen’, prijst de ondernemer zijn diensten aan. ‘Dank God voor de veilige aankomst. Voor reserveringen en inlichtingen over de komende reis, bel
055 XXXX’

Andrea Di Nicola deed twee jaar onderzoek onder mensensmokkelaars en schreef daarover met een journalist het boek Schipper mag ik overvaren? dat binnenkort in Nederland verschijnt. Zijn ervaring is ook dat smokkelaars zichzelf presenteren als ‘good guy’. ‘Veel geïnterviewden zeiden: ik ben een goed persoon, ik help deze mensen, ik ben hun enige optie op een veilig bestaan. Dat noemen we in de criminologie neutralisatietechniek. Je neutraliseert je schuldgevoel door jezelf wijs te maken dat je goed bezig bent. Maar tijdens onze interviews leek het er meer op dat smokkelaars deze verhalen ophingen om hun eigen reputatie hoog te houden, dan dat ze zich werkelijk zorgen maken over het lot van de vluchtelingen.
Smokkelaars zeggen: ‘We willen voorkomen dat er mensen sterven op zee.’ Dat is ook echt zo. Maar niet vanwege de mensenlevens, maar omdat het hun eigen zaken zou schaden. Het is desastreus voor hun reputatie als mensen de overkant niet halen.’
Met de winter in aantocht wordt de zee onstuimiger. Maar de vraag naar en aanbod van bootreizen hebben daar nog geenszins onder te lijden, integendeel. Rahuaf Nashed, een Syrische vrouw van 26 die in Izmir klanten werft voor een smokkelaar, zegt telefonisch dat ze nog steeds veel wordt gebeld. ‘Het zijn meestal mensen die ons hebben gevonden via Facebook.’ Mocht het slechte weer roet in het eten gooien, dan is dat volgens Nashed geen probleem. ‘Wordt een gepland reisje afgelast, dan overnachten de mensen op onze kosten, totdat het weer goed is.’
Het slechte weer leidt ook tot nieuwe ondernemingszin, blijkt bij Facebookgroepen waarin advertenties worden gedeeld voor alles wat je nodig hebt onderweg, van taxiritten, huurappartementen in Athene tot smartphones. Het nieuwste aanbod: gele regenkleding, verkrijgbaar als poncho of tweedelig pak. ‘Voor mijn geliefde broeders en zusters die op reis gaan vanuit Turkije naar Griekenland’, schrijft ene Sahin Al-Ali onder twee foto’s waarop een man in de regenpakken poseert. ‘Het weer is al enkele dagen regenachtig. Ik adviseer jullie een regenjas te kopen omwille van jullie gezondheid.’

Juryrapport

‘Met mensensmokkel in Izmir kiezen Stoffelen en Khader een andere invalshoek om de vluchtelingenproblematiek te verslaan.’

Een verslag over mensensmokkel in Izmir.

Met mensensmokkel in Izmir kiezen Stoffelen en Khader een andere invalshoek om de vluchtelingenproblematiek te verslaan. Dat is een prestatie van formaat bij een onderwerp waar alle media – nationaal en internationaal – bovenop duiken. Het verhaal schetst de kant van een gehate mensensoort, de mensensmokkelaar, en nuanceert dat negatieve beeld tegelijkertijd. De waarheid blijkt zoals altijd niet zwart-wit. De ‘slechterik’ blijkt ook een mens die eenzaam op een kamertje woont en zijn familie mist. Het verhaal gaat een stap verder dan de meeste inzendingen over de vluchtelingenproblematiek. De auteurs slagen er zelfs in om enige sympathie te wekken voor de mensensmokkelaar, zonder de grauwe werkelijkheid van zijn bezigheden uit het oog te verliezen.

De Tegel