‘Ik zoek altijd een weg naar het onbekende’

Schrijven en reizen, Cees Nooteboom (78) deed het zijn hele leven. De auteur van tientallen werken in allerlei genres – romans, gedichten, reis- en andere verhalen, kunstbeschouwingen, essays – heeft ruimte nodig. Op bezoek bij de man die deze week de Bob den Uyl-prijs kreeg voor reisliteratuur. ‘Grond kruipt in de pen.’

Door

Hugo Camps namens Elsevier

cees

Foto: Simone Sassen

‘Een mens moet zich met de dood bezighouden, want daarna kan het niet meer. Dus ja, de dood zit ook in mijn boeken. Maar het is niet alleen deficit, rouw en afscheid, hoor. Zo’n treurig kereltje ben ik niet. Canetti was woedend dat hij dood moest. Zijn handtekening in beton gegrift op zijn graf is één woedende kras. Ik deel de lijfspreuk van Francis Bacon: “I believe in nothing, I’m an optimist.” Je wordt geen 78 als je een jammerkont bent. Dat ik ook als dupe zal eindigen, weet ik best, maar wel graag bewust.’

In afwachting beantwoordt hij nog steeds perfect aan de typering van oud-directeur van het Stedelijk Museum Rudi Fuchs: een gondelier die mooi deint. Cees Nooteboom ligt nog geheel in de plooi. Een dandy. Toch: ‘Ik heb iets met oude mensen. Mijn enig opgevoerde toneelstuk, De zwanen van de Theems, speelt zich voornamelijk af tussen mensen van boven de zeventig.

‘Het schrijdt wel voort, ouder worden. Een scheut jicht hier, een beetje artrose daar, er is geen ontkomen aan. Wij doen daar nu krampachtig over, maar vroeger liepen de mensen er met een stok doorheen.’

De meest kosmopolitische schrijver van Nederland heeft ruimte nodig. Inspiratie komt uit de verte. Het huis van een belezen vriendin in Baden-Württemberg, waar hij elk jaar enkele maanden mag vertoeven, is een godsgeschenk. Het staat in een gehucht dat is weggesneden uit de moderniteit. ‘Ik kijk uit over niets dan land en bomen. Soms zijn er de ezel van de buurman en een kudde geiten. Grond kruipt in de pen, ja. Ik schrijf hier anders dan in Amsterdam of op Menorca. Zelfs de schrijfstudio’s in dit huis hebben een eigen gevoelstemperatuur.’

Kleine hemel

Tegen de wanden, op tafels en stoelen staat en ligt de hele wereldliteratuur. Nietzsche, Hegel, Heidegger, Russen en Grieken, de hele negentiende eeuw, en ook de Duitse vertaling van zijn complete oeuvre. Het is alsof je door een bibliotheek loopt. Ademen, denken, schrijven in een decor van boeken: het is zijn kleine hemel. En daarbuiten de weidsheid van het Duitse land.

‘De ruimte is anders dan in Nederland. We zijn een metropolitaan land geworden: Los Angeles met nog wat tuin. Voor de rest drie urbane centra en dan is het land op. Gelukkig hebben onze voorouders nog de genialiteit gehad een soort Disneyland te bouwen tussen Leiden en Delft. Juist omdat er zo weinig land is, krijg je van die rare politieke bewegingen en idiote opgewondenheid. Het natuurlijke tegenwicht van land ontbreekt.’

Een kluizenaar is hij niet, homme du monde, nomadische Europeaan. Er komt altijd wel iemand op bezoek, in de bucolische rust van dit kasteeltje. Gisteren was zijn Britse uitgever een dagje over, morgen komt zijn Spaanse vertaler. Met zijn vriend, de schrijver-filosoof Rüdiger Safranski, voert hij urenlange gesprekken over zijn nieuwe boek dat in de maak is: Brieven aan Poseidon. ‘Ik wil altijd iets anders doen, een rare weg inslaan die mij naar het onbekende leidt.’

Volgens Safranski is Nooteboom een filosofische poëet. De schrijver van Rituelen, De omweg naar Santiago, Allerzielen, ’s Nachts komen de vossen haspelt de genres door elkaar alsof het lucht is: romans, poëzie, reis- en andere verhalen, kunstbeschouwingen, essays. En altijd met de superbe touch van de verkenner van de mensenziel, en van de weemoed die daar woedt. ‘Melancholy is the name of the game.’

Inmiddels is Cees Nooteboom in meer dan dertig talen vertaald. Zo internationaal als hij is een Nederlandse auteur niet eerder geweest. In de buurt van Venetië werd recent een literair festival aan hem opgedragen. Aan hem alleen. Op de tentoonstelling stond een kijkkast met boeken en een wereldkaart met oranje stippen om aan te geven waar l’Olandese volante is gepasseerd. Alleen Groenland, Siberië en Nieuw-Zeeland zijn nog blanco.

De erkenning in Nederland had een trager tempo, maar vandaag is zijn monumentale allure ook in de polder onomkeerbaar. Overladen met prijzen en eredoctoraten, zoals de P.C. Hooftprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren, de Gouden Uil. Generatieloos gebleven in roem en luister. Heersend over zijn eigen, unieke landschap van speelse en tegelijk diepzinnige en metafictionele literatuur. Europese recensenten zetten hem in het rijtje Borges, Nabokov, Calvino, Pirandello. In Duitsland gooien ze daar nog een paar filosofen bovenop van het kaliber Heidegger. Zo expliciet is Nederland niet in de lauwerkrans, maar het gevoel miskend te zijn in eigen land is bij de auteur helemaal verdampt.

‘De kwintessens is niet de oplage van een boek, en ook niet de roem die eruit voortvloeit. In Nederland zijn vaak bijkomstigheden aan de orde. Zoals nu weer de strijd tussen Kluun en Herman Koch – twee pagina’s in NRC Handelsblad, alsjeblieft. Het feuilletonklimaat. Daar heb ik in Duitsland en Spanje geen last van. Het gevecht uitgegeven te worden, is mij altijd bespaard gebleven. In Nederland en in het buitenland. Alleen Amerika is problematisch. In Amerika wordt nog maar 2,7 procent van het literaire wereldaanbod vertaald. Straks weten ze daar helemaal niets meer van ons, Europeanen.

‘Vorig jaar was ik in China. Het is natuurlijk leuk om je eigen boek in van die spijkers te zien liggen. Maar ik kan daar niet praten. De interviews zijn eindeloos, in rudimentair Engels. Zo was het in Japan ook. Dan valt toch iets van het plezier weg. In Spanje en Latijns-Amerika heb ik dat niet, daar spreek ik de taal. In Frankrijk krijg ik de kriebels van de hoeveelheid lucht die wordt gespuid in interviews en debatten. Dat doorzwaaien in versiering lukt mij niet, al spreek ik behoorlijk Frans. Bij de franciscanen geleerd. Op kostschool werden zelfs onze namen verfranst. De paters noemden mij Corneille.’

Ik ben een nuchtere dichter, zegt hij met gespeelde strengheid. Een selfmade man als je wilt. ‘Ik heb op kostschool veel geleerd over de klassieken en voor de rest heb ik alles zelf gedaan. Hetzelfde geldt voor Hugo, Harry, Campert, Vinkenoog, Kouwenaar… Allemaal mensen zonder universitaire opleiding die hun eigen weg hebben gevolgd.

‘Mijn debuutroman Philip en de anderen in 1955 markeerde de grootst mogelijke afstand tot de rest van de Nederlandse literatuur, die ik ook niet kende. Ik heb dat boek net op tijd geschreven, voor ik de anderen had gelezen. De eerste schrijver die ik bewonderde, was Remco Campert. Ik herinner me de opwinding als ik hem door de stad zag lopen: oh, oh, daar loopt Remco. Al vrij snel leerde ik Hugo Claus kennen. Dat was helemaal dodelijk. Die verpletterde iedereen met zijn eruditie en productie.’

Kolossus van de intuïtie, werd Nooteboom eens genoemd. Een oeuvre zonder ontleende autoriteit, dat zeker. ‘Het was een gegeven dat vlak boven mij een generatie schrijvers was die goed wist wat zij deed. Dat heb ik zelf nooit zo geweten. Ik hield het meestal kort, terwijl ik de nostalgie naar de grote roman ook wel kende. Als je als schrijver op iets jaloers moet zijn, dan wel op wat er in de negentiende eeuw is gebeurd. Het schrijven van die heren ging maar door.

‘Na Philip en de anderen wist ik het niet meer. Misschien had ik alles te vroeg opgeschreven. Als ik het nu herlees, denk ik: waar haalde je het vandaan, die verzinnerij. Op kostschool had ik wel de existentialisten gelezen, maar begreep ik ze ook? Kind uit de oorlog in een verscheurd gezin, was ik een vrij onmogelijk persoon geworden, voor mezelf en voor de anderen. De paters konden mij niet aan, en een voetbaltype was ik ook niet. Voetbal? Nog steeds niets mee te maken. De waan die zich dan altijd over de mensheid stort, heeft iets immens treurigs. En het is zoals in de kunst: commercie en reclame. Waar is nog de apotheose, waar de mooie ondergang?’

Hij staat op, loopt naar een van de gezwollen kasten en keert terug met een kanjer van een boek over de schilderijen van Francisco de Zurbarán. Nooteboom heeft een schitterende inleiding geschreven op de denkwereld en beeldcultuur van deze raadselachtige Spanjaard (1598-1664). En weer laat hij zich kennen als een groots stilist die, naast fascinatie voor de scherven en brokstukken van de geschiedenis, een gevoelig oog heeft voor mystieke kunst uit vorige eeuwen. In het hoofd van Cees Nooteboom spookt het.

‘Ik had dit stuk nooit kunnen schrijven als ik niet wist hoe een monnik in elkaar zit. Die hele christelijke achtergrond van Europa, wij doen nu alsof het niets is, maar dat is het wel. Ik heb niet de neiging om weer katholiek te worden, maar op een of andere manier vind ik het toch interessant als ik in een kerkje in Mexico iemand zie die met twee handen de enkels van de gekruisigde Christus beetpakt en een heel verhaal afsteekt. Dan denk ik: zij heeft tenminste iets om tegen te praten.

‘Iedereen heeft maar één leven en voor sommigen lijkt het me prettig om iemand te hebben om tegen te praten. Ik ging eens een Italiaanse kerk binnen om een schilderij te zien. Een oude priester kwam aansjokken, net het middageten op. Een meisje liep naar de biechtstoel. Ik stond achter in de kerk, zag die voetjes uit de biechtstoel steken en hoorde gefluister. Het meisje kwam naar buiten met een vrolijk, bijna verlicht gezicht. Alsof ze met twee handen al het vuil van de wereld aan die oude man had afgeveegd. Toen dacht ik: de kerk is toch een instituut dat voor sommige mensen wat heeft opgeleverd. Je kunt er nog iets kwijt aan een ander. Zelf heb ik dat niet, maar over alle lijden en gespletenheid heen blijft de mythologie overeind.’

In zijn literaire vriendenkring ontmoet hij haat tegen alles wat met God en geloof te maken heeft. Blinde haat zelfs. Hugo Claus had alle nonnen overhoop kunnen lopen. Dat heeft hij niet. ‘Ik ben als fremdkörper in het katholicisme gekomen. Mijn ouders waren Brabantse katholieken die naar de hoofdstad vluchtten omdat mijn vader mijn moeder had verleid, en hij was al getrouwd. Mijn vader is in de oorlog omgekomen tijdens een Engels bombardement, maar daarvoor waren mijn ouders al gescheiden. Mijn moeder is hertrouwd met een calvinistische katholiek uit Noord-Holland. Hij paste de vasten toe: op sommige dagen droog brood. Als ontheemde vertrok ik naar het klooster. De extremiteit van het leven van een monnik trok me aan. Dat wilde ik ook wel, naar het klooster gaan.’

Sigaretje

‘De abt gaf me een Latijns woordenboek, maar ik was er gauw klaar mee. Wat uit die tijd in mijn leven wel is gebleven, is het absolutisme van het ene versus het absolutisme van het andere. Ik kan nooit meer ergens eeuwig blijven. Ik heb een huis in Amsterdam en een huis in Spanje, maar ik voel me altijd het beste in huizen van anderen. Zoals nu, hier.

‘Het katholicisme heeft zich vertaald in een vorm van heimwee. Of is het dankbaarheid? Zou ook kunnen. Al die paters hebben in de twintigste eeuw een tragische vergissing begaan. Ze koesterden het ideaal van Augustinus, deden de gelofte van armoede en gehoorzaamheid, en moesten vervolgens heel hun leven scheikundeles geven aan jongens van vijftien. Weg het mystieke ideaal waarmee ze waren ingetreden.

‘Pedofiel gerommel heb ik niet gekend, nee. Er is een pater geweest die me in een hoekje trok en toen zei: “Heb jij misschien een sigaretje voor mij?”’

Straks gaat hij weer naar Colombia en Argentinië om poëzie te declameren. En wie weet waar hij volgend jaar zit. Cees Nooteboom is de ultieme reiziger. De geestelijk vader van de Nederlandse reisliteratuur.

‘U vroeg mij daar straks wat me gestempeld heeft. Om te beginnen zou ik zeggen: vrouwen. Daarnaast het onophoudelijke lezen. En lopen. Hier loop ik elke dag een paar uur door dat schitterende groene heuvelland. Lopen zonder oponthoud is metafysica. Ik heb het gevoel dat ik over de wereld heb mogen lopen.

‘Na De ridder is gestorven (1963) heb ik zeventien jaar geen fictie meer geschreven. Ik hoorde toen dat Thomas Mann net voor zijn dood had gezegd: “Ik had moeten leven in plaats van te schrijven.” Die zin heeft een enorme indruk op mij gemaakt. Ik ben dan het schrijven gaan combineren met reizen. Eerst al liftend. Er was eens een bankier die me meenam in een prachtige sportwagen die aan alle kanten naar leer rook. Hij vroeg waar ik heenging. Naar Frankrijk dus. Vervolgens sprak hij de historische woorden: “Dan zit je vanavond op de stoel van iemand anders.”

Ik ben daarover door gaan denken en ja, reizen is op de stoel van een ander gaan zitten. Een Japanse schrijfster die ik later ontmoette, zei het nog mooier: “Als je op reis gaat, drink je vreemd water.” Ik heb de hele wereld afgezworven en ik voelde me overal thuis. Alleen als ik naar de weg moest vragen, was er schroom. Daar zijn vrouwen beter in. Mijn reizen waren als een eindeloze meditatie.

‘In Nederland denken ze al gauw dat ze internationaal zijn, maar dat is niet zo. Ze leven in hun polis en maken zich druk over hun polis. Nobel, maar wel heel lokaal. Toch hoor je almaar dat literatuur maatschappelijk betrokken moet zijn. De een is het wel, de ander niet. Moet ik dan over het voorbijgaand verschijnsel Wilders schrijven? Over die sluwe politicus en echte parlementariër?

‘Wat mij zo verbaast, is dat Nederlanders accepteren dat hij de Koningin schoffeert. Niemand nog die dan naar voren treedt, terwijl mensen in de oorlog zijn gestorven met de kreet “Leve de Koningin!” En Majesteit zou nu niets meer mogen zeggen over de samenleving? Dat zo’n jongen als Mark Rutte dat cadeau doet aan iemand als Geert Wilders begrijp ik dus niet.’

De behoefte om zich te verdedigen heeft hij niet gekend. Niet tegen de Grote Drie, niet tegen critici die hem niet geëngageerd genoeg vonden. ‘Alle menselijke verhoudingen zijn politiek. Punt. Wie daarover schrijft, doet aan politiek. Marcel Proust was politiek, niet omdat hij over Dreyfus schreef, maar over Sodom en Gomorra binnen de samenleving. Was mijn boek De ontvoering van Europa dan niet politiek? Ik was in Hongarije in 1956 en heb erover geschreven. Bij de val van de Muur was ik in Berlijn: je kunt het nalezen in Berlijnse notities en andere geschriften. Mijn schreeuw uit Bolivia was ook politiek. En ja, het gaat ook nog om andere dingen. Het herkennen van het verdwenene houdt mij eindeloos bezig.’

Lezingen, signeersessies, televisieoptredens, in Duitsland is Cees Nooteboom een superster. Terwijl hij zegt nooit planmatig te werk te gaan. ‘Ik ben geen constructeur, niet in het schrijven en niet in de franje eromheen. Als er al een filosofisch systeem in mijn boeken zit, heb ik moeite om het aan anderen uit te leggen.’

Stroomstoot

‘Man van anekdotes ben ik ook niet. Op televisie lollig uit de hoek komen, ik zou niet weten hoe dat moet. De Duitse vertaling van Het volgende verhaal was een onverwacht succes. Een bestseller zelfs. Het boek is de versmelting van geschiedenis, filosofie en mythologie tot één verhaal waarin de hoofdpersoon de poëzie zelf is.

‘De stroomstoot kwam van Marcel Reich-Ranicki die een beroemd en berucht literair programma had op de Duitse televisie, Das Literarische Quartett. Reich-Ranicki noemde mij die avond de belangrijkste Europese schrijver van het jaar. Ik kende het programma niet en ook de presentator niet. Mensen verdenken je vaak van berekening, maar ik wist werkelijk nergens van. Via Duitsland heeft het boek zijn weg gevonden naar de wereld. Grote kranten als Le Monde en El País pikten het op.’

Hij moet me nog aan de gastvrouw voorstellen, maar zij is nu wandelen. Hier komt de geest te voet, zeg ik. Dat bespreken we later in het hotel, bij het diner zegt hij. Fotograaf Simone, zijn partner, kan er dan ook bij zijn. In het sterrenrestaurant laat Cees Nooteboom zich kennen als een fijnproever. Ook in savoir-vivre een door en door Latijnse man. Hij is gek op ingewanden, zo blijkt. Herinneringen worden opgehaald aan onze gezamenlijke avonden met Hugo Claus. En automatisch komt ook Harry Mulisch ter sprake. Eerst in een anekdote, later in de bittere ernst van de dood.

‘Ik liep een keer met W.F. Hermans door Parijs om hem te interviewen. We passeren de Tour Saint-Jacques waar, als ik het goed heb, Blaise Pascal ooit proeven deed met luchtdruk. Mulisch had daarover iets geschreven, maar Hermans zei dat hij er niets van begrepen had. “Domme man.” Ik zei: “Wim, Harry is op dit moment ook in Parijs.” Waarop Hermans: “Als we die tegenkomen, ga ik niet mee op de foto.” We kwamen Harry tegen. De twee omhelsden elkaar.’

Hij was een bevoorrechte getuige van de tedere spanningen tussen Claus en Mulisch, vooral in de dagen voor de toekenning van de Nobelprijs. ‘Ik herinner me dat Harry mij ooit vroeg: “Heb jij dat nou gelezen, Het verdriet van België? Dat is toch in het Bargoens.” Hugo kon er ook wat van. Toen De aanslag was verschenen, zei hij: “Dat schrijft een Schotse schooljuffrouw op een zaterdagnamiddag.” Die Hugo. Op het Boekenbal vielen de heren natuurlijk meteen in elkaars armen.’

Nooteboom heeft plechtig afscheid genomen van de twee vrienden. Over Mulisch zei hij bij de uitvaart: ‘Harry is een halve eeuw boeken, vrienden, vrouwen. Het laatste beeld, dezelfde man die voor het bezoek van zijn ziekbed is opgestaan. Hij had een paars hemd aangetrokken, hij ontvangt. Zijn blik helder en monsterend, waarin de vrienden gezien worden, de wereld gewogen. Tot het laatst.’

Zijn afscheid van Hugo: ‘Het was of hij op spiegels liep. Breekbaar, alert. En daardoor was het ook een beetje of wij opnieuw moesten leren lopen, behoedzaam, voorzichtiger om hem heen. Want hoe loop je in de buurt van de dood?’ Even zijn we samen verdrietig, heffen het glas. Dan zegt hij: ‘We hebben nog veel te bespreken, goede vriend, kom morgen maar terug.’

Juryrapport

‘Leg meerdere interviews naast elkaar en je haalt die van Hugo Camps er onmiddellijk uit.’

Cees Nooteboom

Eigenlijk is een nominatie van Camps misplaatst. Hij verdient een oeuvreprijs. Zo lang al maakt hij op een herkenbare manier prachtige interviews.

Leg meerdere interviews naast elkaar en je haalt die van Hugo Camps er onmiddellijk uit. Met een nominatie stippen wij slechts zijn kwaliteit en oorspronkelijkheid aan. Over Nooteboom, die hij kent en interviewt: Een gondelier die mooi plooit. en het interview begint met een citaat van
Nooteboom: “Een mens moet zich met de dood bezighouden, want daarna kan het niet meer”. Dat wil je wel lezen. Zelfs al is het het zoveelste interview met deze gelouterde schrijven. Omdat Camps het doet!

De Tegel