De waarheid voorbij

Het was het jaar van de post-truth: feiten waren van ondergeschikt belang aan meningen, emoties en regelrechte bullshit. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Door

Haro Kraak namens De Volkskrant

DOOR HARO KRAAK FOTO ELLEN MANDEMAKER

Dat Donald Trump een glibberige verhouding tot de waarheid heeft, is de laatste maanden rijkelijk gedocumenteerd. Maar nu hij verkozen is tot de volgende president van de Verenigde Staten, geeft hij zijn eigen leugens ook weleens toe. Met een ondeugende lach liefst, om te laten zien: zijn ze er toch mooi ingetrapt.

Tijdens zijn thank-you-tour, een rondgang langs de zwaarbevochten swingstaten, blikte hij in zijn speeches af en toe terug op zijn campagnetaal. ‘Je hoorde me steeds zeggen dat het systeem rigged was’, zei Trump in Virginia. ‘Maar nu zeg ik dat niet meer, omdat ik gewonnen heb. Nu maakt het me niet meer uit.’

Dit brengt iedereen in verwarring, zei Trevor Noah, de presentator van latenightshow The Daily Show. ‘Politici horen niet eerlijk over hun leugens te zijn.’

Noah toonde ook een ander fragment waarin Trump terugkomt op zijn beruchte kreet ‘Drain the swamp’, waarmee hij beloofde de corruptie in Washington D.C. uit te bannen. Hij gaf toe dat hij de oneliner eerst maar niets vond, een beetje afgezaagd. Maar toen hij merkte dat het aansloeg, ging hij het vaker zeggen. ‘Ik ging het zeggen alsof ik het meende.’

Trump is een goochelaar, zei Noah. ‘Hij vertelt iedereen hoe hij de truc doet en alsnog zeggen mensen: het is magie!’ Trump de tovenaar, bij wie illusie en werkelijkheid voortdurend door elkaar lopen.

Ondanks al zijn leugens, onwaarheden en overdrijvingen moet je Trump geen leugenaar noemen, betoogde het Amerikaanse blad The New Republic. Hij is wat anders, iets veel ergers: een bullshit artist, een flauwekulverkoper.

Wat het verschil is? Dat legt Harry G. Frankfurt, een vooraanstaand filosoof en emeritus hoogleraar aan Princeton, uit in zijn boek On Bullshit uit 2005. ‘Je kunt alleen liegen als je de waarheid denkt te weten’, schrijft hij. ‘Een leugenaar verhoudt zich tot de waarheid, en respecteert in die zin de waarheid. Een bullshitter geeft niet om de waarheid.’

Flauwekul is daarom gevaarlijker dan leugens, betoogt Frankfurt, omdat het de mogelijkheid tot het achterhalen van waarheid ondermijnt. Een leugen probeert de waarheid te manipuleren, maar flauwekul probeert de aanhoorder te manipuleren. De fabulant heeft een avontuurlijke kijk op de werkelijkheid, zegt Frankfurt. Hij is er creatief mee, kan hem naar wens mooier of lelijker maken. Hij durft te praten over zaken waar hij niets van weet. Soms is dat ook vermakelijk; onzin is zelden saai.

De analyse van Frankfurt blijkt een schrikbarend accurate voorspelling van Trump. Hij kneedt de waarheid tot iets wat hem op dat moment uitkomt. En als hij zijn eigen waarheid vaak genoeg herhaalt, gaat hij er nog in geloven ook. De president elect werpt al babbelend, niet gehinderd door enige kennis van zaken, beschuldigingen en complottheorieën op waarvan hij denkt dat zijn publiek ze wil horen. Om later toe te geven dat hij iedereen in de maling nam.

Opscheppen over lak aan de waarheid – in 2016 kon je ermee wegkomen, nee, ervoor beloond worden.

Een terugblik op 2016 kan niet zonder te kijken naar de manier waarop we grip verloren op wat waar is en hoe we feiten steeds minder belangrijk zijn gaan vinden. In november riep The Oxford Dictionary ‘post-truth’ uit tot woord van het jaar. De (vertaalde) definitie is als volgt: ‘heeft betrekking op situaties waarin objectieve feiten minder invloed hebben op de publieke opinie dan emotionele of persoonlijke overtuigingen’.

Natuurlijk heeft de populariteit van het woord direct te maken met de campagnes van Trump en de voorstanders van Brexit, waarin feiten het telkens verloren van emotie en onwaarheden. De Brexitcampagne zegevierde onder meer met de op een rode campagnebus gestickerde leugen dat 350 miljoen pond per week naar de EU gaat. In werkelijkheid is het minder dan de helft, een nuancering die UKIP-voorman Nigel Farage al de dag na het referendum toegaf.

Leugens van politici zijn van alle tijden, maar nog nooit waren ze zo snel en makkelijk als zodanig te herkennen. Zowel Trump als Brexit liftte mee op de haat jegens de elite en instituties. Michael Gove, een belangrijke Brexitcampagnevoerder, sprak op Sky News de beruchte woorden: ‘Mensen in dit land zijn experts zat.’ En Arron Banks, een van de grootste financiers van het Brexitkamp, gaf aan The Guardian toe dat hij van tevoren al wist dat feiten er niet meer toe doen. ‘Je moet mensen op een emotionele manier aanspreken.’

Ook de uitkomsten van deze campagnes droegen bij aan het post-waarheidtijdperk: de peilingen, en dus de media, zaten ernaast. Daardoor zagen velen hun wantrouwen tegen de mainstreammedia bevestigd: zie je wel dat ze de waarheid verdoezelen in het belang van progressieve idealen. In Amerika en Duitsland is de naziterm Lügenpresse, de leugenachtige pers, nieuw leven ingeblazen.

Begin december vond de culminatie van dit post-waarheidjaar plaats toen een 28-jarige man een pizzeria in Washington binnenliep met een geladen geweer. Hij had op het internet gelezen dat Clinton en andere Democraten vanuit de pizzeria een pedofielennetwerk runden. Drie kwartier zocht hij naar geheime tunnels waar de kinderen zouden zijn opgesloten. Hij vond niets. Of, zoals CNN-commentator Brian Stelter het verwoordde: ‘De verhalen waren nep. De schoten waren echt.’

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Velen wijzen naar de nieuwe technologieën om het afbrokkelende belang van de waarheid te verklaren. ‘Het internet heeft dit probleem niet veroorzaakt, maar wel versterkt’, schrijft filosoof Michael B. Lynch in zijn dit jaar verschenen boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data. Doordat we alles googelen, vergeten we hoe kennis tot stand komt en hoe je zelf een feit kunt verifiëren.

Iedereen kan online een leugen als een waarheid publiceren en die eenvoudig verspreiden. Het internet zou ons een gedemocratiseerd en open medialandschap opleveren, maar het tegenovergestelde is het geval: we leven online in gesloten gemeenschappen, echoputten van het eigen gelijk, door algoritmes gecreëerde bubbels waarin we uitsluitend nieuws tegenkomen dat ons wereldbeeld bevestigt.

De factchecks van Trumps leugens komen bij zijn volgers niet terecht. Een op de vier Republikeinen gelooft nog steeds dat Obama niet in Amerika is geboren. En ongeveer een kwart tot de helft van de Republikeinen denkt te weten dat Obama moslim is. De leugen is al zo vaak gedeeld dat hij niet meer te stoppen is. Zulke information cascades, zoals wetenschappers dit zichzelf versterkende fenomeen noemen, maken dat er niet tegen desinformatie is op te checken.

Het is ook de reden dat nepnieuws, als journalistiek vermomde onzinstukken waar door clicks goed geld mee wordt verdiend, zich rond de Amerikaanse verkiezingen zo makkelijk verspreidde: mensen delen het omdat het strookt met hun denkbeelden. En als het niet klopt, dan werkt het tenminste in het voordeel van hun partij. Onder anderen tieners in Macedonië bleken de onzinstukjes te tikken en de advertentie-inkomsten op te strijken.

En dat kan een behoorlijk lucratieve business zijn: de twintig populairste nepnieuwsartikelen (zoals dat de paus Donald Trump zou steunen) genereerden vlak voor de verkiezingen op Facebook meer likes, reacties en shares dan de top-20-verhalen van grote nieuwsorganisaties, berekende Buzzfeed. Het is een industrie van misleiding, gevoed door de tunnelvisie die voortkomt uit partijdigheid.

De ironie van nepnieuws is dat lezers die zich van de zogenaamde manipulatie van de massamedia willen afkeren, volgens een studie van Northeastern University eerder geneigd zijn om desinformatie op sociale media te geloven. Ongeveer driekwart van de Amerikanen trapt weleens in nepnieuws, bleek uit een enquête die Buzzfeed liet uitvoeren. Mensen die Facebook gebruiken als hun voornaamste nieuwsbron zijn bovendien bevattelijker voor nepnieuws dan anderen.

En die groep wordt steeds groter: 44 procent van de nieuwsconsumenten gebruikt Facebook als bron, bleek uit een recent wereldwijd onderzoek van het Reuters Institute for the Study of Journalism. Helaas zegt dat ook veel over de stand van de journalistiek: in vijftien jaar is het advertentiegeld haast geheel opgeslokt door het internet, zijn oplagen flink gekrompen, werden talloze kranten opgeheven en heeft ongeveer eenderde van de journalisten zijn baan verloren.

Aan het huidige post-waarheidtijdperk ligt dertig jaar postmodernisme en relativisme ten grondslag. Dé waarheid bestaat niet volgens postmodernisten, het is een kwestie van perspectief. ‘Kennis werd gezien als een vorm van macht’, zei de Italiaanse filosoof Maurizio Ferraris onlangs in een interview met de Volkskrant, ‘en diende daarom met wantrouwen te worden bezien.’

Dit gedachtegoed had emancipatoir moeten werken; het zou het volk bevrijden van onderdrukkende machtsstructuren. Maar uiteindelijk stond het vooruitgang in de weg, want hoe kom je verder in de wetenschap of in het publieke debat als je geen gedeelde feiten en waarheden hebt? Je kunt niet bouwen op semantisch drijfzand.

De relativerende taal van de postmodernisten werd overgenomen door de machthebbers die er juist mee bestreden moesten worden. Ferraris noemt de opkomst van het mediapopulisme van Silvio Berlusconi hiervoor kenmerkend. ‘Begrijp je dan niet dat iets niet bestaat – een idee, een politicus of een product – als het niet op televisie is?’, zei Berlusconi volgens zijn biograaf tegen een handlanger.

Ook de oorlog in Irak, die door de regering-Bush werd gerechtvaardigd met vervalst bewijs over massavernietigingswapens, ziet Ferraris als een pervers gevolg van het postmodernisme. Een adviseur van Bush, vermoedelijk Karl Rove, sprak tegen een journalist de legendarische woorden: ‘Als wij handelen, scheppen wij onze eigen werkelijkheid, en terwijl jullie die werkelijkheid grondig bestuderen, zullen wij weer handelen en zo weer nieuwe werkelijkheden scheppen.’

Inmiddels zien we steeds vaker hoe politici dat doen, werkelijkheden scheppen. Twaalf jaar na Irak werd in Rusland niet het bewijs vervalst, maar werd het voeren van oorlog zelf ontkend. Terwijl Russische troepen de Krim annexeerden, zei Vladimir Poetin met een strak gezicht op tv dat zijn soldaten niet in Oekraïne waren. Journalisten, bloggers en burgers lieten het tegendeel zien, maar alleen voor wie het horen wilde.

Het postmodernisme voedde ook het wantrouwen jegens experts, instituties en autoriteit in het algemeen. De media houden zelf ook steeds minder van deskundigen, want die zijn zo kil en theoretisch. Onder het mom van objectiviteit kan het daarom gebeuren dat een jeugdarts in Pauw tegenover drie bezorgde ouders het belang van vaccinaties moest verdedigen (een aflevering waar Jeroen Pauw later zijn excuses voor aanbood). Liever een spannend debat dan een wetenschappelijk feit: dat vaccins werken en geen autisme veroorzaken. Op dezelfde manier wordt klimaatverandering in de Amerikaanse media vaak behandeld: zet een klimaatontkenner (die soms als lobbyist betaald wordt door de olie-industrie) tegenover een milieuactivist of onderzoeker. Terwijl de consensus onder wetenschappers ongeveer 99 procent is dat klimaatverandering reëel is.

‘Liever een columnist van De Telegraaf dan een professor’, zei een woordvoerder van actualiteitenrubriek EenVandaag onlangs. ‘We willen dat mensen snappen wat er wordt gezegd.’ Dat opinie en emotie het daarbij winnen van feiten en ratio is kennelijk een acceptabele bijwerking.

Sterker nog, emoties zijn nu ook feiten. In een tv-debat op CNN zei de prominente Republikein Newt Gingrich dat het hem niet uitmaakt dat misdaadcijfers dalen, het gaat erom dat mensen zich ‘onveilig voelen’, want dat is ook een feit.

Met een gelijksoortige logica verspreidt Donald Trump complottheorieën. ‘Heel veel mensen zeggen’, begint hij dan zijn zin, om vervolgens een vergezocht verhaal te vertellen, bijvoorbeeld dat Obama zou sympathiseren met IS. Of hijzelf die theorie omarmt, blijft in het midden. Zo is het geoorloofd een kulverhaal te verspreiden, want het zou zomaar eens waar kúnnen zijn.

Op andere momenten lijkt Trump het bestaan van een controleerbare waarheid simpelweg te ontkennen. Zo hield hij vol dat er duizenden moslims juichend op straat liepen in New Jersey na 9/11. Het bewijs is verdwenen, zei Trump toen er werd doorgevraagd, omdat het toen nog niet zo makkelijk was om filmpjes te maken met je telefoon. Hij heeft dus gelijk ondanks – of juist dankzij – het ontbreken van bewijs.

Waterdichte bullshit, ja. Het woord post-waarheid zegt het al: we verhouden ons niet meer tot de waarheid, we zijn de waarheid voorbjj. Welkom in het universum van de onzin.

Bullshit is vager (en dus gevaarlijker) dan een leugen, zegt Frankfurt, een leugen kun je ontmaskeren of doorprikken, maar bullshit niet. Na bullshit volgt daarom zelden de ophef die hoort bij het onthullen van een leugen. Trump profiteert op meerdere manieren van dit klimaat. Hij maakt van zijn kletskoek een show. Zijn praatjes worden nauwelijks serieus genomen, soms meent hij niet eens wat hij zegt, zoals hij zelf al trots toegeeft. Het is kleedkamerpraat of een politiek incorrect grapje, zo verdedigt hij zijn misstappen, en mensen gaan daar kennelijk in mee.

Wellicht nog verontrustender: machthebbers kunnen steeds gemakkelijker wegkomen met schandalen, als het medialandschap verder fragmenteert en ieder in zijn eigen echoput zit. ‘Washington D.C. is steeds transparanter geworden – zonder de verantwoording die daarmee gepaard hoort te gaan’, schreef Susan B. Glasser, chef van het politiek-journalistieke mediaplatform Politico, in een terugblik op de verslaggeving van de verkiezingen. Alle onthullingen gleden zo van Trump af: beschuldigingen van aanranding, zakelijke belangenverstrengeling, belastingontduiking.

De media hadden het helemaal niet zo slecht gedaan, concludeerde Glasser. Ja, er was veel partijdigheid, maar er was ook gedegen onderzoek en verslaggeving. Er bleef alleen niets plakken, de meeste mensen luisterden niet. Ze waren afgeleid door bullshit.

Factbook

Nadat Facebook veel kritiek had gekregen omdat nepnieuws zo makkelijk werd verspreid op het platform, kondigde het bedrijf maatregelen aan om ‘fake news’ tegen te gaan. Voortaan kunnen gebruikers nepnieuws rapporteren, waarna een onafhankelijk team van factcheckers het verhaal gaat onderzoeken. Als het inderdaad nepnieuws blijkt te zijn, komt er een ‘disputed’-label bij de link. Ook zal de link lager op pagina’s verschijnen door een aanpassing in het algoritme.

 

Groen licht

Zijn dagboeken verkopen als een tierelier, maar niemand weet wie schrijver Hendrik Groen, bejaardentehuisbewoner uit Amsterdam-Noord, eigenlijk is. Eén ding is duidelijk: zijn naam is een pseudoniem. Maar van wie?

Door

Harro Kraak

‘Ik word nog depressief van mezelf, dacht ik.’ Deze overpeinzing is op 1 januari 2013 het startschot voor de dan 83-jarige Hendrik Groen een dagboek bij te houden. ‘Precies één jaar lang’, belooft hij, ‘zal ik mijn ongecensureerde kijk geven op het leven in een bejaardenhuis in Amsterdam-Noord.’

Hij voegt er een typisch relativerend Groen-zinnetje aan toe: ‘Als ik voor het eind van het jaar dood ga, is dat overmacht.’

Hendrik Groen gaat niet dood. Hij schrijft elke dag keurig wat in zijn ‘geheime dagboek’ en publiceert het stukje de dag daarop op torpedomagazine.nl, de website van het voormalige literaire tijdschrift Torpedo, dat wordt bestierd door journalist en schrijver Carel Helder.

De stukjes blijken populair. Hendrik Groen raakt met zijn luchtige, nuchtere en onaangedane toon – bijna niets ontroert hem echt; het zal de leeftijd zijn – een snaar. Met zijn vrienden vormt Groen de Omanido-club, kort voor: oud maar niet dood. Samen gaan ze op uitjes, waar de andere bejaarden jaloers op zijn.

Groen heeft een hekel aan klagende bejaarden, wat hem de mogelijkheid geeft om met een ironische distantie naar de kommer en kwel in het verzorgingshuis te kijken. Het maakt hem direct tot een sympathiek, dwars figuur, zowel voor mensen die zich ergeren aan bejaarden als voor bejaarden die denken dat ze anders zijn dan hun soortgenoten.

Langzaamaan groeit de cultus rond Hendrik Groen. Want wie is deze mysterieuze bejaarde eigenlijk? Wie zijn naam googelt komt in elk geval geen verzorgingshuisbewoner in Noord tegen. Twee jaar later en 145 duizend verkochte exemplaren verder is nog altijd onbekend wie er achter Groen schuilgaat. We besluiten op zoek te gaan naar de ware identiteit van Hendrik Groen, die is uitgegroeid tot een van de best verkopende schrijvers van Nederland.

Eind 2013 is Paul Arnoldussen, dan nog redacteur van Het Parool, inmiddels gepensioneerd, de eerste die een min of meer serieuze poging doet om te achterhalen wie Groen is. Hij weet een e-mailadres te bemachtigen. ‘U schrijft helemaal niet bejaard. Maar ja, wat zegt dat? Remco Campert schrijft ook niet bejaard. Ik zou u eigenlijk wel eens willen zien en spreken. Wat vindt u?’

Hendrik Groen antwoordt gevleid te zijn maar houdt de boot af. ‘Ik zou u graag ontvangen, ware het niet dat een bezoek van een journalist van Het Parool voor grote opschudding zou zorgen. Het zou het gesprek van de week zijn aan onze koffietafel. Ik zou geen rustig uurtje meer hebben.’

De twee mannen keuvelen nog wat over de mail (Groen onthult onder meer dat hij vroeger leraar was) en Arnoldussen publiceert de briefwisseling in Het Parool. Over het waarheidsgehalte van het dagboek zegt Groen: ‘Daarin is geen zin gelogen maar niet elk woord is waar.’ Ook licht hij zijn intenties toe: ‘Mijn dagboek wil laten zien hoe, soms met de moed der wanhoop, geprobeerd wordt nog wat van het leven te maken.’

Uitgever Paloma Sanchez van Dijck, van uitgeverij Meulenhoff, moet die 30ste november 2013 hardop lachen om de krant en benadert Groen; zes maanden later wordt het dagboek gepubliceerd. Het zinnetje over het waarheidsgehalte haalt de achterflap. En de titel is bijna één op één overgenomen van de kop in de krant: Pogingen iets van het leven te maken. Alleen het woordje ‘wat’ is vervangen door ‘iets’.

Hoewel de verkoop aanvankelijk langzaam op gang komt en Hendrik Groen nergens wordt gerecenseerd, raakt Groen na bijna een jaar echt op stoom. Na het succes van de eerste bundel, verschijnt in januari 2016 deel twee: Zolang er leven is. Beide boeken staan momenteel hoog in de Bestseller Top 60, op respectievelijk plaats 8 en 16. Deel één staat al 59 weken achtereen in de lijst.

Hendrik Groen is, kortom, een doorslaand succes. Een tv-serie is in de maak en de vertaalrechten zijn aan bijna dertig landen verkocht, waaronder de Verenigde Staten. Overal wordt het beeldmerk van Groen overgenomen: de zwart-wit tekening van Victor Meijer, waarop Groen oogt als de brave hendrik zoals hij zichzelf omschrijft, een zuinig lachje om de mond. Het is een ijzersterke illustratie die Hendrik Groen zowel menselijk maakt als mystificeert.

Dat half Nederland zich verdiept in het weinig tumultueuze leven van een fictieve bejaarde, is vast deels te danken aan de vergrijzing: steeds meer mensen herkennen zich in Groen

De aantrekkingskracht van het pseudoniem (of in dit geval een heteroniem: niet alleen een fictieve naam, maar een hele fictieve persoonlijkheid, inclusief gezicht) ligt natuurlijk in het mysterie – omdat je het niet mag weten, wil je niets liever. Een pseudoniem prikkelt de nieuwsgierigheid.

Groen is niet de enige anonieme schrijver die succes boekt dit jaar. De identiteit van de Italiaanse schrijfster Elena Ferrante, bekend van haar reeks Napolitaanse romans, was vorige maand onderwerp van debat. In oktober zou ze de eerste anonieme schrijver kunnen worden die de prestigieuze Man Bookerprijs wint.

Een docent Italiaanse literatuur toonde puzzelend aan dat bepaalde beschrijvingen van het studentenleven in Pisa uit de jaren zestig alleen kunnen zijn geschreven door een klein aantal mensen dat die tijd zelf heeft meegemaakt. Hij wees Marcella Marmo aan, maar de docente moderne geschiedenis aan de Universiteit van Napels ontkende en zei dat ze het ‘kleine beetje creativiteit’ dat ze heeft, volledig aan koken besteedt.

Soms hanteert een schrijver een pseudoniem uit pragmatisme: de provocatieve of gevoelige inhoud van het werk vraagt om privacy. Of de schrijver wil simpelweg niet bekend worden, een heel andere weg inslaan of kijken of hij het zonder zijn naam ook redt in de literaire wereld (zie Harry Potter-auteur J.K. Rowling, die als Robert Galbraith een roman naar uitgevers stuurde). Ook een mogelijkheid is dat er twee of meerdere schrijvers onder een pseudoniem opereren, zoals Nicci French, een schrijversechtpaar.

In het geval van Groen kun je je voorstellen dat door sommige gevoelige geriatrische details – de ouderdomskwaaltjes, de bezuinigingen op de zorg – de schrijver enige privacy op prijs stelt en daarom een pseudoniem heeft aangenomen. Als de dagboeken tenminste geïnspireerd zijn op de werkelijkheid: de eigen ervaring of die van een ouder. Ook zouden de dagboeken geschreven kunnen zijn door iemand die in de zorg werkt.

Het is de wens van de auteur om onbekend te blijven, zegt Sanchez van Dijck van uitgeverij Meulenhoff. ‘Het pseudoniem was nooit inzet van een campagne.’ Groen is juist het bewijs dat boeken zich ook op de inhoud kunnen verspreiden, volgens haar. ‘Het is mond-tot-mondreclame geweest.’

Negen maanden na verschijning had de uitgever al meer brieven en mails over Hendrik Groen gekregen dan over elk ander boek, zegt Sanchez van Dijck. ‘Terwijl hij nog nauwelijks was opgepikt in de media. Zo schreef een vrouw uit Woerden dat Groen wel bij haar moeder in het tehuis moest wonen, want daar ging het precies zo als in het boek.’

Het boek wordt volgens Sanchez vooral veel gelezen door bejaarden en door vijftigers met ouders in verzorgingshuizen. ‘Allemaal herkennen ze de beschrijvingen over de bezuinigingen op de zorg, de bureaucratische directie, de klagende bewoners. Dit thema leeft nu heel erg.’

Bewust of onbewust, het creëren van dit alter ego, misschien wel de oudste debutant ooit, volgens Meulenhoff, is óók een zeer geslaagd marketinginstrument. Dat half Nederland zich verdiept in het weinig tumultueuze leven van een fictieve bejaarde, is vast deels te danken aan de vergrijzing: steeds meer mensen herkennen zich in Groen. En de vlot geschreven, geestige fragmenten maken dat je Groen in je hart sluit en de dagboeken verslindt.

Maar het succes is ook toe te schrijven aan het mysterie omtrent Hendrik Groen, dat wordt gevoed door Meulenhoff, middels literaire avonden gewijd aan Groen (‘de oudste leesclub van Nederland’) en Groen-promotiemateriaal. Een bejaarde lezer die juichend een T-shirt van Groen omhoog houdt, werd door de uitgever de wereld rondgestuurd, naar buitenlandse uitgeefhuizen.

Vele namen zijn inmiddels al genoemd, vele schrijvers ontkennen. Arnon Grunberg wordt sinds zijn uitstapje als Marek van der Jagt altijd geopperd als het om schrijverspseudoniemen gaat, nu ook weer. Maar zijn werk lijkt in stijl en toon geenszins op Groen. Kluun, liefhebber van Groen, zegt het ook niet te zijn. Verpleegarts Bert Keizer, die als columnist van Trouw lovend over Groen schreef, ontkent eveneens. Hetzelfde geldt voor Paulien Cornelisse, Sylvia Witteman, Peter Buwalda, Nico Dijkshoorn en Ronald Giphart. De bewijslast was meestal ook nogal mager: hij woont ook in Noord. Of: zij schrijft ook populaire, geestige boeken.

Maar wie is het dan wel?

Gevraagd naar de identiteit van Groen lijkt illustrator Victor Meijer, die het uiterlijk van Groen vormgaf, zich even te verspreken. ‘Ik heb hem een paar keer ontmoet, maar ik heb een geheimhoudingsplicht ondertekend.’ Hém? Achter Groen zit dus geen vrouw? ‘Euh, nee, het is een man.’ Cornelisse en Witteman kunnen we dus wegstrepen.

We gaan terug naar waar Groen begon: torpedomagazine.nl. Volgens het colofon hebben daar een stuk of zestig schrijvers voor geschreven, onder wie bekende namen als Tommy Wieringa, Peter Middendorp, Marcel van Roosmalen, Nico Dijkshoorn en A.L. Snijders. De kans is groot dat de schrijver achter Hendrik Groen eerder voor Torpedo schreef. Je gaat niet zomaar een anonieme schrijver publiceren.

Ook journalist Paul Arnoldussen, die Groen als eerste ‘ontdekte’ in de media, schreef voor Torpedo. Het zou dus goed kunnen dat hij destijds wist wie Groen was. Of zou hij het zelf zijn? ‘Ik weet wel zo ongeveer wie hij is’, zegt Arnoldussen. ‘Maar ik zeg er niets over. Hij wil niet bekend worden. Zijn mailadres kreeg ik van Carel Helder, een vriendje van me.’

Met zijn vrienden vormt Groen de Omanido-club, kort voor: oud maar niet dood

De belangrijkste verdachte is Carel Helder zelf, de oprichter van Torpedo Magazine, schrijver en liefhebber van vooral mooie stukjes over het leven van alledag. Zie zijn bundel CV, waarin een groot deel van zijn oeuvre is verzameld, en het 2-minutenfestival, volgens Helder een ‘literair vlooiencircus’, waar schrijvers stukjes voordragen die niet langer mogen duren dan, inderdaad, twee minuten.

Helder moet weten wie Groen is; hij heeft hem als eerste gepubliceerd (en mogelijk betaald). Helder woont in een dijkhuisje in Amsterdam-Noord, niet ver van de verzorgingshuizen De Die en Het Schouw (dat onlangs is verbouwd, net als het tehuis van Groen). En Helder heeft in zijn boek CV een advertentie opgenomen voor het boek van Hendrik Groen. Daaronder staat nog een veelzeggende advertentie, voor privédetective Hurtecant.

Online staat een nummer van de Vlaamse privédetective Christof Hurtecant. ‘Hendrik Groen? Die ken ik niet. Carel Helder wel, ja. We hebben gemeenschappelijke vrienden. Tien jaar geleden heeft hij eens een artikel over mij geschreven. Voor Volkskrant Magazine.’ Helder had Hurtecant gevraagd of hij in zijn boek wilde adverteren.

Helder heeft meer broodkruimels achtergelaten, lijkt het. Als een seriemoordenaar die aanwijzingen achterlaat, omdat hij stiekem ontdekt wil worden of erkenning wil voor zijn prestatie. Zo noteert Hendrik Groen in het eerste deel: ‘Om met C.A. Helder te spreken: ‘Portier, c’est mourir un peu.’ Een zinspeling op de bekende Franse uitspraak: ‘partir c’est mourir un peu’, afscheid nemen is een beetje sterven.

In deel twee is de knipoog naar Carel Helder nog vetter. ‘Laatst gelezen boek: CV van Carel Helder. Een prachtig van-alles-en-nog-wat-boek waarin geen bejaarde te bekennen is. En, wat ik steeds prettiger vind: losse korte stukken. Het lezen wordt namelijk een beetje een probleem.’

Daarbovenop komt nog een meneer Helder in het boek voor, waarover Groen schrijft: ‘Meneer Helder is een wijs man, en aardig bovendien. Als iemand van Omanido overlijdt, zal ik hem voordragen als nieuw lid.’ Tot slot vertelt Groen dat hij bezig is met een roman over twee oudere mannen: Ahrend en Nico, vernoemd naar zijn opa’s. De tweede naam van Carel Helder is Arend.

Dat Helder als geen ander weet wat de kracht is van een pseudoniem, staat buiten kijf. Hij rekent Nico Dijkshoorn (P. Kouwes) en Marck Burema (Pritt Stift) tot zijn vrienden, die beiden bekend werden door te publiceren onder pseudoniemen op internet. In het archief is een stuk te vinden over schrijverspseudoniemen in de Volkskrant van een paar jaar terug. ‘Het effectiefst werkt een alter ego als de schrijver erachter een tijdje in nevelen blijft gehuld.’ Het stuk is geschreven door Stijn Aerden en Carel Helder.

Al met al lijkt de suggestie dat Helder Hendrik Groen is, er dik bovenop te liggen. Te dik. Voordat we Helder bellen met een vraag waar hij makkelijk nee op kan zeggen, zoeken we nog eens op internet naar een aanwijzing. In een reactie onder een bericht op literair weblog Tzum.info schrijft ene Henk Verweerd: ‘De schrijver is Peter de Smet. Het boek zou oorspronkelijk bij ons uitkomen en verscheen plots bij Meulenhoff.’

Verweerd blijkt uitgever van de kleine uitgeverij Liverse. Nadat hij het dagboek op Torpedo had gelezen, vroeg hij aan Carel Helder of hij het mocht uitgeven. ‘Ik las het dagboek vanaf het begin en vond het hartstikke goed geschreven. Mijn vrouw werkt in een verzorgingshuis en kent de materie van haver tot gort. En dat komt behoorlijk overeen met het dagboek.’

Uit mails van destijds blijkt inderdaad dat Verweerd en De Smet contact hadden over het publiceren van de dagboeken van Hendrik Groen. Meerdere gesprekken voerden Verweerd en De Smet, zegt de uitgever aan de telefoon, maar toen kwam het boek opeens elders uit. ‘Daar is niets mis mee, maar de manier waarop was niet prettig. Maar ik gun hem het succes van harte hoor.’ Het verhaal van Verweerd komt overeen met wat Paul Arnoldussen eerder zei: dat Groen eerst bezig was met een kleine uitgever en dat Meulenhoff toen toesloeg.

Het kan bijna niet anders: dit is hem. Maar wie is Peter de Smet?

Online is Peter de Smet niet makkelijk te vinden. Er is een overleden striptekenaar met die naam, een apotheker uit Alphen aan de Rijn, een Belgische operazanger en een heleboel andere Belgen. Niet iemand met kennis van Amsterdam-Noord, zo lijkt het. Wel staat er een Peter de Smet op het affiche van het 2-minutenfestival uit 2013.

Als je in het krantenarchief de namen Carel Helder en Peter de Smet invoert, verschijnt een pagina uit 2009 van het weekblad Volkskrant Banen. Het is de rubriek POST-IT, waarin je ‘gekke dingen die met werk te maken hebben’ vindt, samengesteld door Helder. De foto van de week is ingezonden door Peter de Smet van Muziekschool Noord uit Amsterdam: een portier zit achter glas, met daarop een briefje met de tekst: ‘Portier, c’est mourir un peu.’

Verdomd, die tekst kennen we.

Het is een grapje van de beroemde socioloog Norbert Elias, zegt Helder aan de telefoon. Verder wil hij niet helpen. Hij ontkent noch bevestigt dat De Smet of hij achter Groen schuilgaan. Hetzelfde geldt voor Meulenhoff: de uitgever wil op geen enkele naam reageren.

In het geval van Groen kun je je voorstellen dat de schrijver enige privacy op prijs stelt

Bij de muziekschool, waar De Smet beheerder was, werkt hij niet meer, zegt de receptioniste. Het baantje blijkt hij jaren geleden van Carel Helder te hebben overgenomen. Verder doorzoeken levert een Kamer van Koophandelnummer op van een in april 2015 opgerichte BV voor ‘Schrijven en overige scheppende kunst’, op naam van Peter de Smet. Precies op tijd voor de jaarlijkse uitkering van royalty’s in mei dus. Er staat ook een adres bij.

De volgende ochtend bellen we aan in Noord. In de rugzak een exemplaar van het dagboek om door de echte Hendrik Groen te laten signeren. Tijdens het wachten een overpeinzing: heb je het recht om een onbekende man de publiciteit in te slingeren? Maar wie anoniem bestsellers schrijft, kan verwachten ontmaskerd te worden.

Dan doet Peter de Smet de deur open, dezelfde als op de foto. Een vriendelijke man in werkkleding; hij is zijn huis aan het verbouwen. ‘Of ik Hendrik Groen ben?’ Hij lacht. ‘Nee, sorry.’ Geconfronteerd met de bevindingen ontkent hij alles. ‘Het is toch ook helemaal niet leuk om te weten wie Hendrik Groen is?’

Dat mag iedereen gelukkig voor zichzelf bepalen.

Appelflappen

De ondertitel van Pogingen iets van het leven te maken, Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 ¼ jaar, is een verwijzing naar een populair boek van Sue Townsend uit de jaren tachtig: The Secret Diary of Adrian Mole, Aged 13¾, waarvan in 1985 meer dan 1,9 miljoen exemplaren werden verkocht. Bij beide lijkt de breuk achter de leeftijd een teken van de kinderlijke blik van de (zogenaamde) auteur. Hoewel Groen bejaard is, is hij in zijn hart een rebels kind, getuige de eerste bladzijde, wanneer een vrouw in een schaal met appelflappen gaat zitten, tot grote hilariteit van Groen.

De Tegel